Hoe je het beste in een post-zorgdepressie belandt

Als onze zoon op zijn achttiende in Amerika gaat studeren, valt een droom voor mij aan diggelen. Een klein droompje hoor, niks dramatisch. Maar ik heb me er zo op verheugd, op het studentenmoeder spelen.

Dat ze doordeweeks lekker hun eigen ding doen, op zo’n stinkende studentenkamer met veel bier en patat als ontbijt. En dat ze dan op vrijdag vol verhalen en doodmoe bij je binnenvallen, een tas vol was in de hoek smijtend, terwijl ze ‘IK HEB HONGER’ roepen. En dat je dan een warme appeltaart in de oven hebt, en ze voedt met gezonde maaltijden en ontbijt op bed.

Maar hij vliegt dus niet zomaar uit, hij vliegt achtentachtig miljoen duizend kilometer ver uit.

Verdomme.

Na een jaar komt hij weer in Nederland studeren, en krijg ik een tweede kans. Delft is maar 88 kilometer ver weg, dus ik begin alvast met goudreinetten schillen.

Helaas krijg ik ook deze keer niet wat ik besteld heb. Hij heeft het enorm naar zijn zin op zijn naar waspoeder geurende, comfortabele studentenkamer, en ik ben geen concurrentie voor zijn belachelijk inspirerende en levenslustige kamergenoten. De weekendbezoeken worden bekort tot bezoekjes van een uur of twee, waarna weer ergens een barbecue, bierpongborrel of miniconcert wacht. Kleren wassen kan hij prima zelf, en met die bierinname valt het ook reuze mee. Ze eten zelfs broccoli bij het avondeten. Uitslovers.

Van een belangrijk levensdoel beroofd, op de rand van een post-zorgdepressie, emigreer ik. En mijn man en jongste dochter gaan ook mee. Ons middelste schatje is intussen ook rijp voor het studentenleven en ik vind het zelf een goed idee om haar in Rome te laten studeren. Op kamers bij het Colosseum, en dan in het weekend bij ons aan het zwembad bijkomen. Kapotmoe en hongerig natuurlijk en dat ik haar dan voer met pizza di Mama.

En ook dit kind weigert mijn dromen te verwezenlijken. Ze blijft in Nederland, en ik beland in een ware zorgcrisis.

Maar. Zoals altijd loopt het natuurlijk weer helemaal anders. Die pakken Koopmans Appeltaartmix gaan gewoon mee in de handbagage van de vader van het stel. En, niet geheel onlogisch, hebben het zwembad, de zon en ons heerlijke huis een onweerstaanbare aantrekkingskracht op de arme studenten. Uiteindelijk komen ze nu veel vaker dan ik ooit had durven hopen.

Deze vrijdag bak ik dus weer fluitend Amerikaanse pancakes voor mijn twee oudsten, die lekker uit liggen te slapen van een drukke week in hun studentenstad. Buiten hangt de was van mijn dochter, die gewoon haar hele wasmand in haar koffer heeft gekieperd en mee naar Rome heeft genomen. Want helaas geen waspoeder en geen schone kleren meer, en daarbij is ze uitgehongerd en brak. Ik kan haar wel zoenen.

Ik kook pannen vol pasta met verse groenten, we kijken samen onder een dekentje naar Netflix, dineren in Rome, houden onze traditionele zaterdagavond filmborrelavond en rijden elkaar schreeuwend overhoop op de kartbaan. Het is supergezellig, ze blijven het hele lange weekend en de appeltaart gaat schoon op.

Het enige minpuntje is het afscheid.

Ik weet dat ze het redden, ik weet dat het goed is zo. Maar toch heb ik het elke keer als ze door die schuifdeuren van de vertrekhal lopen, als ik hun achterkant met rugzak zie verdwijnen. Het gevoel dat mijn hart uit mijn lijf gescheurd wordt.

Niks dramatisch hoor, het is mijn hart maar. En gelukkig heb ik nog een kind thuis, dat ook vaak brak is, heel erg van appeltaart houdt en maar 8 kilometer verderop op school zit.

Die knuffel ik daarom maar driedubbel hard, en geniet extra van de bergen was die ze produceert. Want voor je het weet is zij ook 88 miljoen duizend kilometer ver weg.

Verdomme.

FullSizeRender

 

Wat er gebeurt als je een Waarschuwingsteken negeert

Die zwarte kat op de parkeerplaats. Dat was een teken natuurlijk.

 ‘Krijg je acht man te logeren? Ik rij wel even met je mee naar mijn wijnboertje, kun je groot inslaan.’

Ik heb een Nederlandse vriendin die hier al heel lang woont. Ze spreekt vloeiend Italiaans en weet overal antwoord op. Wie de beste aannemer is, waar je de beste koffie drinkt, wanneer je pruimen oogst, je kunt het zo gek niet bedenken of ze weet het. Zo ook dus van die wijnboer. En waar hij woont.

We spreken af bij het restaurant op de hoek. Ze stapt bij me in de auto, we rijden de berg op en na twee minuten slaan we rechtsaf bij een stoffige oprit. Dat is dus gewoon bijna in mijn achtertuin! Een oude waakhond sloft in onze richting, maar draait na drie meter futloos weer om. Her en der liggen afgedankte autobanden en ijzeren gieters en de wijnranken reiken tot in het dal. Ik besef dat dit de real deal is.

Vriendin J. loopt kordaat de schuur in. Daar staan vier zilverkleurige vaten te wachten tot ze gemolken worden, ernaast een pallet met plastic containers. Of we zoet of droog willen. Rood of wit, drie liter of vijf. Ik spin van plezier, dit is zo echt Italiaans. We overleggen wat, tanken gul en dan komt de held van het huis, la mama, op sloffen aanschuifelen. Ze is minstens honderd en gaat blijkbaar over het geld, want zij is degene die me het wisselgeld in de hand drukt.

Ik besluit dat ik nu officieel kaaskop af ben, want ik kan voortaan zeggen dat ik bij ‘mijn eigen wijnboertje’ koop.

Op de terugweg rijden we langs een ander stoffig weggetje, en volgens ons mirakel ligt daar een mooi wandelgebied. Precies waar we al een jaar naar zoeken: een ruime uitlaatgelegenheid voor onze viervoeter. Had ik het maar eerder gevraagd.

En vandaag gaan we dan op die wandeling. Hond M. slaapt al dagen niet, legt constant haar speeltjes op mijn voeten, kortom, is duidelijk toe aan kilometerslange trektochten. En dochter S. beweegt al maanden niet, omdat hockey nog niet is begonnen. Twee vliegen in één klap.

Ik haal S. uit school, op de achterbank de hond, en we rijden zingend de berg op, zover het achterland in dat mijn telefoon geen bereik meer heeft. De wegen worden smaller, het wegdek steeds slechter. Als mijn auto de kuilen niet meer trekt, zetten we haar neer op een parkeerplaats, naast het kerkhof. Een zwarte kat komt naar ons toe lopen, terwijl labrador M. uitstapt. Als we M. weer uit de bosjes getrokken hebben, dalen we af naar het geluid van vallend water.

Het is een wonder. Niet ver van ons dorp vandaan staan we oog in oog met een oude molen, de molenstenen nog bij de voordeur. Een waterval klatert naast de roodbruine muren, en een klein stroompje loopt over de stenen onder de brug. Bij de waterval staat een groep wandelaars in stilte foto’s te maken, en ik wacht even tot ze weg zijn, zodat mijn hond hun plaatjes niet verpest. Ze blijven erg lang staan, terwijl het stroompje niet heel bijzonder is, behalve voor labradors met dorst.

Ik sta vlakbij ze, en uit mijn grieven zeer hardop.
‘Mijn God, wat duurt dat lang. Zo leuk is het hier ook weer niet.’
Een paar mensen splitsen zich af, maar de meesten blijven staan.
‘Ja, blijf nog even staan joh, schlomo’s. Neem nog een foto.’
Ik sta langs het stroompje, met mijn handen in mijn zij op mijn beurt te wachten.
‘Pfff, schiet eens op.’ Ik draai me om naar Sophie. ‘Hier heb ik zo’n hekel aan.’
Een blonde vrouw kijkt op en ik glimlach vriendelijk naar haar.
‘Hup hup, wegwezen met die hap,’ zeg ik heel flink in het Nederlands.

Als de vrouw en haar vriend nog steeds niet weggaan, trek ik geïrriteerd mijn hond mee en loop over de brug.
‘Kom Sophie,’ roep ik, ‘dan halen we ze wel even in, anders lopen we de hele tijd achter die slakken.’

Het is een hele klim, en we lopen arm in arm. We kletsen over school en puppies en dat ze zo graag een klein poesje wil. Na een half uur lopen over groene velden met indrukwekkende pijnbomen, keren we om.
‘Oh kijk, daar heb je dat langzame groepje weer,’ zeg ik, als we de watervalfotografen tegenkomen.
‘Hallo,’ zegt de vader van het gezelschap, terwijl hij me recht aankijkt.

Sophie ziet langzaam het besef bij me komen.
‘Je zei het allemaal heel hard!’
Ze kan de hele weg terug niet meer rechtop lopen van het lachen.

En ik had hem gezien, daar op de parkeerplaats bij de zwarte kat, die auto met de Nederlandse kentekenplaat. Kaaskop dat ik er ben.

IMG_9489

Hoe een paar cijfers mijn zelfvertrouwen tot het nulpunt lieten dalen

 

‘Als ik morgen opsta ga ik zeker het alarm vergeten.’

Gelaten kijk ik mijn dochter aan. Ze zucht, kent me al langer en weet dat het waar is. Dan pakt ze me resoluut bij mijn schouders.

‘Luister mam. Leg een voorwerp neer op een rare plek. Hang daar een sterke gedachte aan, zoals ‘denk aan het alarm’. Als je morgen wakker wordt en je ziet dat voorwerp, zal je er weer aan denken.’

Terug van weggeweest
We zijn weer thuis. Na een vakantie van vijf weken in Nederland en Amerika, zijn we weer neergestreken in Rome. Vijf weken van moeiteloos uit mijn woorden komen, begrepen worden, en ik maak me nu al druk om morgenochtend. Dat ik het alarm er vergeet af te halen en dat ik dan de vigilanza moet bellen, dat het vals alarm was. Want dan moet ik namelijk mijn huisnummer zeggen, 55b2, oftewel cinquantacinquebiedue.

En daar zit een klein traumaatje.

Picture this:
Met zeven Nederlandse vrouwen in een gehuurde bus. Ik, al een jaar in Rome wonend, en de anderen die bij me logeren. We zijn gezellig de stad in geweest, voor een drankje en een lange wandeling.

Als onze Bob door de slagbomen van mijn wooncomplex wil rijden, herkent de bewaking de huurauto niet. Wat we komen doen? Vol bravoure draai ik mijn raampje open en als de man mij niet schijnt te herkennen gooi ik ter identificatie mijn huisnummer eruit.

Cenqintocaque, eh, canqientocinque, eh, conquanticenque..HÈ SHIT!
De andere zes vrouwen liggen al onder de stoelen van het lachen.
‘Haha An, gaat lekker!’
Met een rood hoofd ga ik stug verder.
Cinque..can..cenquate..mijn god. I LIVE HERE!’

De meiden gillen het uit. De jonge man lacht mee, geeft ons een plattegrond van het park en begint rustig uit te leggen hoe ik naar mijn eigen huis moet rijden.

Met de moed der wanhoop gooi ik er nog uit dat ik hier woon. ‘Habito qui!’

Het komt niet meer aan. Een combinatie van de slappe lach, een slechte uitspraak en een Italiaan die het allemaal te leuk vindt, maakt dat we uiteindelijk toch de volledige routebeschrijving én een bonusknipoog krijgen.

Het hele verdere weekend pesten ze me ermee.

Ochtend
De wekker gaat en ik rol mijn bed uit. Mikki moet eten, even koffie zetten, het is vandaag niet zo warm in huis. Zou het chloor de algen in het zwembad al hebben opgegeten? Ik zoek het testsetje, vind het op een rare plek en gooi de deur naar het terras open.

WIEOEWIEOEWIEOEWIEOEWIEOEWIEOE

Ik weet dat mijn dochter boven met haar ogen rolt en toets het nummer van de vigilanza in.
 
‘Buongiorno!’
‘Buongiorno, false alarme, canquintoconquebadua.’
‘Prego.’

Ook zij kennen me al.

55b2