Een koud vlaagje alleenheid

Dat je dan, als je uit de douche stapt in dat verre land, ineens een koud vlaagje alleenheid voelt. Zomaar uit het niets.

En dat dan, als je later je kind bij school afzet, een vrouw haar raampje naar beneden draait en ‘Angelique!’ roept. Zo ver van huis dat het wennen blijft.

En dat je dan samen pratend over wegen met gaten rijdt en door groengele heuvels met grijzende olijfbomen. Uitstapt in een gerijpt Italiaans dorp met afgesleten vierkante steentjes en een steile straat beklimt die eigenlijk een trap wil zijn. Stopt voor een gietijzeren hek, waar in de spijlen winterbloemen tegendraads bloeien, om in een witgepleisterde grot yogales te krijgen van een lerares die voelt als iemands moeder.

En dat je vervolgens een uur lang meegevoerd wordt in een taal die je soms herkent en je verder gewoon meebeweegt met iedereen om je heen. Als je je ogen sluit, merkt hoe je yogamoeder stil bij je neerknielt en met haar zachte handen voorzichtig je haar ontstaart, zodat je hoofd de grond kan voelen.

En dat je dan als afscheid twee zoenen krijgt en een welkomstspeech. Met je verse vriendin nog een trap oploopt naar een eeuwenoud plein met een onverwarmde koffiebar, waar een mevrouw met twee jassen aan en een gekreukt gezicht een cappuccino voor je maakt. Die je staand aan de bar in drie minuten opdrinkt, terwijl rond je dorpelingen verzamelen en de koffiemachine rammelt en geurt.

En dat je dan heuvelafrijdend langs de groenteboer komt die met handschoenen en muts en rokende adem bietola en broccoletti aan je verkoopt in een kraampje aan de weg, recht van het land. En je één euro vijfentwintig moet betalen.

En dat je dan, warm en rozig, thuis nog een keer koffie zet en weet dat het altijd alleen maar in je hoofd zit, die alleenheid.

Dat.

img_3982

Hoe een pilotenvrouw het duistere Rome bevocht

Alles wordt donker. Dit is een ramp.

Wat voorafging
‘Volgens mij staat Mikki op klappen.’
‘Mam, zijn mijn kleren al droog?’
‘Kun je nog even die trui wassen?’
‘Mam, het is zaterdag, mag ik een taart bakken?’

De wasmachine draait een afscheidswasje, terwijl de droger de vorige was kofferklaar maakt. Ik doe de buitenlamp aan om de plassert bij te schijnen en precies op dat moment zet Sophie de oven aan om een taart te gaan bakken. En dan gaat het licht uit.

‘Mam?’

Ik zoek de zwarte hond in het duister en de zaklamp in de gangkast. Na een rondje langs vijf stoppenkasten, verspreid over drie verdiepingen – binnen en buiten – trek ik de makkelijke conclusie dat het een Romedingetje is. Het zal zo wel weer opgelost worden. De kinderen hebben de kaarsen aangestoken, en als we knus bij kaars- en haardlicht zitten, krijg ik zicht op het vrolijk verlichte huis van de buren. De moed zakt mij in mijn gezellige sloffen.

De realiteit
Het is een storing in mijn eigen huis. De Man is net opgestegen naar Kuala Freaking Lumpur. Het is tien uur zaterdagavond. Het hek waar de auto morgenochtend om vier uur doorheen moet om twee kinderen op het vliegveld te droppen, is elektrisch.

We zitten gevangen, zonder hoop voor de toekomst.

Ik loop weer vier van de vijf stoppenkasten na, ditmaal gebruikmakend van mijn vingers om te checken of de schakelaars echt allemaal naar boven staan. Mijn gevoel is het enige zintuig, na mijn ogen, dat ik in deze situatie nog kan vertrouwen. Het is namelijk vrij onmogelijk om te horen of een schakelaar omhoog staat, en eraan likken is echt walgelijk en behoorlijk onzinnig. Ze staan allevier nog naar boven, dus moet ik naar de vijfde stoppenkast.
Deze is buiten, en aangezien er een reële mogelijkheid is dat een seriemoordenaar de elektrische bedrading heeft doorgeknipt en wacht tot we allemaal slapen om ons dan – ongehinderd door de alarminstallatie – één voor één de keel door te snijden, aarzel ik. En ga natuurlijk, want pilotenvrouw dus stoer.

Alle schakelaars staan nog steeds goed. Ondertussen wordt het steeds kouder in huis en zitten alle kleren van de Nederlandgangers nat te zijn in de wastrommel. Ik ren nog drie van dezelfde stoppenkastrondjes voor ik een hulplijn inzet.

De redders
‘Ciao Angelique!’ De warme stem van Barbara, mijn favoriete Italiaanse, brengt me weer bij zinnen. Ze raadt me aan de Vigilanza te bellen, de beveiligingsdienst van onze woonwijk. Drie minuten later staat een man in uniform bij mijn hek en gaat op magische wijze het licht weer aan. Een geheime stoppenkast in de tuinmuur, die hij wel en ik niet ken. Ik wil hem zoenen, maar hij is alweer in zijn auto gesprongen op weg naar een volgende heldendaad.

Wat dit mij leerde
Mannen in uniform zijn om te zoenen.
Als je aan elektrische zekeringen gaat likken zijn je stoppen doorgeslagen.
Nooit een taart bakken als je hond moet plassen.

Einde

img_3808

Het verkeer in Rome: hoe overleef ik?

‘En als we dan morgen naar…HOLY SHIT!’ Een gele Citroën komt van de linkerrijbaan naar de rechterrijbaan, maar daar rij ik al. Ik trap uit alle macht op mijn rem, alles blokkeert. In een fractie van een seconde wijk ik uit en kom ongeschonden tot stilstand op het witgestreepte weggedeelte van de afslag.

Een spijtoptant. Zo noemen we ze hier, bestuurders die op het laatste moment besluiten toch de afslag te nemen. Levensgevaarlijk.

Ik kijk om me heen naar de chaos. Her en der staan auto’s stil. Er schudden glimlachend wat hoofden, auto’s worden opnieuw gestart en voorzichtig manoeuvreert men om elkaar heen. Ook de boosdoener rijdt rustig weg, en ik toeter hem hard na. Ik ben de enige.

Een andere dag rijden we met z’n allen achter een Fiat 500, die heel langzaam midden op twee weghelften rijdt. Er blijkt een append meisje in te zitten, dat zich volkomen heeft afgesloten van de rest van het verkeer. Ik beweeg mijn hand naar de toeter, maar Arno pakt hem vast. Hij spreekt drie legendarische woorden:

‘Wees. Geen. Hollander.’

Want dat doe ik. Hollanderen in Italië. Elke keer als iemand van de regels afwijkt, voel ik een onbedwingbare lust om te corrigeren.
‘Je mag daar niet parkeren.’
‘Je mag niet bellen tijdens het rijden.’
‘Je mag niet op de vluchtstrook rijden.’
‘Je moet in je eigen baan blijven.’
‘Rechts rijden, links inhalen.’
‘Niet voorpiepen.’

Ik, de Hollander, ben gewend aan orde. En hier is chaos. Hier rijdt men in rijen van vier over een tweebaansweg. Hier heeft degene die het snelst kan optrekken voorrang. En het mag. Er is veel begrip voor andermans weggedrag, fouten worden snel vergeven en het is echt heel moeilijk om iemand boos te krijgen.

‘Maar het is wel gevaarlijk en onverantwoordelijk’, hoor ik mezelf zeggen. En toch, door dat gebrek aan orde en terechtwijzingen, krijgen mensen de ruimte om te leven, om fouten te maken, om adem te halen.

En zo lopen we dan in zonnig Rome, en staat daar midden op een zebrapad een auto geparkeerd. Ik krijg daar kriebels van in mijn buik. Ik mag dat namelijk ook gewoon doen, en dat voelt als vrijheid blijheid. Ha, zo doen wij dat hier! Niemand die erover zeurt, en ik ook niet. Terwijl ik er een paar maanden geleden nog een beschuldigend vingertje naar opstak.

Ik voel me verlost. En het smaakt naar meer. Niet meer foeteren op die buurman die zijn honden de hele nacht laat blaffen. Niet boos zijn als de vuilnismannen van het ophaalschema afwijken. En die man die in de file voorpiept via de vluchtstrook? Ik laat hem lekker zijn gang gaan.

Het is hier leven en laten leven. Soms sta je daardoor even stil op een witgestreept stukje weg. En dan kun je toeteren of lief zijn. Vaak wil ik doorrijden naar toeteren, maar kies ik op het laatste moment toch voor de afslag naar lief.

En spijt heb ik nog niet gehad.

img_3659

George Michael deed poef…

Niemand leeft eeuwig. Er komt een dag dat het klaar is. Poef.

AHOY Rotterdam, 1988. We staan al uren voor de deur, mijn nichtje en ik, en als de poort eindelijk opengaat, stormen we als wilde stieren naar de voorste dranghekken. De adrenaline is hoog, de oestrogenen nog hoger, en we willen maar één ding: dat George Michael ‘I want your sex’ voor ons zingt.

Als eindelijk de lichten uitgaan, en de begintonen van het eerste nummer klinken, kunnen we niet meer stilstaan. We zijn al zo lang verliefd, idolaat, aanbiddend. Het volume zwelt aan, de spanning stijgt, het lijkt eeuwig te duren. En dan, net als we denken dat we het niet meer houden, staat hij daar. Poef. Ik gil hysterisch, heb mezelf niet meer in de hand. Alles komt eruit: mijn eerste zwemdiploma, de Avondvierdaagse, mijn eerste zoen, het Songfestival. Ik schreeuw mijn keelamandelen naar buiten, en ik weet zeker dat hij naar mij wijst als hij zingt: ‘Baby, I’m your man!’

Mijn eerste vriendje lijkt op hem, dezelfde blonde lokken. We reizen naar Rio de Janeiro zonder geld voor een hotel, en zwemmen in de Amazone zonder inentingen. Gooien het matras naar buiten om onder de sterrenhemel te slapen. Springen in een rivier vol piranha’s omdat ons dat stoer lijkt. Rijden 220 km per uur op de motor, en ’s nachts met de auto de skipiste af. Zitten in een langzaam zinkende houten roeiboot tussen de krokodillen. Zeven jaar verliefd, idolaat, aanbiddend. Hij leeft hard en ik doe mee.

Dan, in één jaar, sterven vier vrienden in drie verschillende auto-ongelukken, en hij is erbij. Hij lijkt op George Michael, maar wordt maar 26 jaar jong. Poef.

Rome, Kerst 2016. Ik loop met man en kinderschare door het park van Villa Borghese. Sophie rolschaatst, ze heeft zichzelf op een Olympisch trainingsschema gezet om de beste kunstschaatster ter wereld te worden. Haar broer helpt haar vallen en dat hoor je. Lauren rent achter haar vader aan, ze springen over muurtjes en kruipen door bosjes, op zoek naar Charmanders voor Pokémon Go. Om ons heen spelen straatmuzikanten Parijse chansons in een zachte winterzon. En George doet poef.

Na die ongelukken dacht ik nooit meer dat jonge mensen niet doodgaan. Sinds jaar en dag check ik ’s nachts of Arno nog warm is. ‘Ik leef nog, schatje’, zegt hij altijd. Bij de kinderen voelde ik altijd of het dekbed nog bewoog, op het ritme van de ademhaling. En ik keek, zoog hun beeld op met een gulzigheid die ik nooit meer heb afgeleerd. Hoe ze speelden, hoe ze lachten. Ik maakte een thuis, koesterde mijn gezin alsof iedere dag de laatste was. Bij elk kruispunt in mijn leven koos ik de weg naar geluk, want ik wist dat er geen tijd te verspillen was.

Een kruispunt in 2016 leidt naar Rome. Het huis ademt familie. Ook nu, op 30 december. De muziek van Lars, zachte tonen van Frank Ocean. We zijn rozig van het struinen in de eeuwige stad. Kaarsen branden, papa belt, de meiden kruipen dicht tegen elkaar aan onder een deken. Ik ga zo appelflappen maken, denk aan mijn moeder. De hond snurkt, het huis huist, de toetsen tikken.

Maak er een liefdevol 2017 van. Koester het leven en kies voor geluk. Nu en eeuwig.

Liefs, Angelique

img_3709

 

Verdwaald in Nederland – deel 2

Vervolg van deel 1

Ik kijk door het viezige raam van de kapperszaak, en zie een vrouw enthousiast naar me zwaaien.

Met tegenzin loop ik naar binnen. Tropische Salsamuziek tettert me toe en de kapster geeft me een slap handje.
‘Angelique? Jij afspreken online, si?’ Ik bevestig mijn identiteit en ze neemt mijn jas aan.
Vijf keer wast ze m’n haar, heel hard. Vervolgens zet ze me in een smoezelige leren fauteuil en kijk ik in mijn eigen ongelukkige ogen.
‘Doe maar alleen wat puntjes eraf,’ piep ik, als ze een met bloemetjes versierde schaar richting mijn haar beweegt. Ze knipt een beetje rond en föhnt het daarna prachtig glad.
Dan gaat ze opeens op haar hurken zitten, haar ogen op dezelfde hoogte als de mijne.
‘Mag ik wat vraag?’ En dan, zachter: ‘Mag ik wenkbrauw doen?’
En heel voorzichtig, met alle liefde die ze in zich heeft, legt ze m’n hoofd achterover en verzorgt zorgvuldig de haren boven mijn ogen. We hebben het over haar thuisland, over heimwee, over Spaans en Italiaans. Ik zeg dat ik vind dat ze goed kan föhnen. Ze lacht blij, en buigt zich nog aandachtiger over haar taak. Als ze klaar is, schenkt ze me haar kaartje en een lieve glimlach.
Weer op straat doe ik mijn capuchon over mijn kansloze kapsel, en loop de eindeloze miezer in. Maar mèn, die wenkbrauwen. Goddelijk.

Met een rammelende tram die naar natte jassen stinkt, kom ik even later bij het gebouw van de Hogeschool aan. Vandaag krijg ik, na vier jaar, mijn diploma Proza voor Kinderen.
De school zit in een modern gebouw, met veel glas en metaal en als ik het klaslokaal binnenkom, weet ik weer waarom ik er een hekel aan heb: de airco staat chronisch aan en ik zit chronisch met mijn jas aan.
Als een verloren schaap word ik onthaald. Na de knuffels en het bijpraten gaan we aan het werk. De chocola, lof en kritiek vliegen over en weer en na drie uur zijn al onze verhalen nog beter. Het is ouderwets gezellig, en na de les nemen we voor de laatste keer bitterballen en bier in de bruine kroeg op de hoek. En weigeren te geloven dat het de laatste keer is.

Later in Hilversum kleed ik me bibberend om in een onverwarmde hotelkamer. Ik ben uitgenodigd op het feest van onze Australische overburen.
De deur van het feesthuis staat wijd open, de vuurkorf brandt en iedereen loopt in kleurige wintermutsen en gekke sjaals. Ik houd m’n jas maar weer aan en word richting een Italiaanse huisvriend geduwd.
‘Ciao,’ zegt hij. Hij kijkt me Italiaans aan en doet iets geks met zijn wenkbrauwen.
Met het Starbuckstrauma vers in mijn geheugen stap ik achteruit en gelukkig zijn daar mijn buurvrouwen. Allemaal. Ik krijg warme chocolademelk, echte omhelzingen, er is Hazes en we dansen en zingen tot we warme wangen hebben.

Het is een vol weekend en na twee dagen treinen, trammen, kou, afspraken en boodschappenlijstjes, zit ik er een beetje doorheen. Ter afsluiting drink ik op zondagmiddag thee bij mijn moeder, met mijn twee oudste kinderen. Lauren is een beetje moe en Lars zijn onderhoudende zelf. Als ik met mijn dochter laat op de dag terugloop naar de tram, blijft Lars vlak naast ons fietsen, als een stevige buffer tussen zijn meiden en de kou. Bij het station geeft m’n dochter me een stevige zoen op mijn mond. Zo moe als ze is, zo somber als het lijkt, hoe koud het ook is. Zij is onwankelbare liefde.

Dag Nederland.

Je was koud, maar gelukkig is er heel veel warmte in je inwoners.

img_3182

Verdwaald in Nederland – deel 1

Het is halfvijf ’s morgens, als ik mijn puber een kus op haar slapende hoofd geef. Ze schrikt op, mompelt ‘Koop appelflappenmix’ en trekt het dekbed weer over haar hoofd. De hond kijkt me meewarig aan vanuit haar warme mand. Ik ga een weekend naar Nederland, en ik ga alleen.

Het is fris in het vliegtuig, en ik houd de hele weg mijn jas aan. De koude boterham met kaas helpt om mijn lege maag te vullen, maar verwarmen doet-ie me niet. Op Schiphol stap ik op de trein, met rugzak en rolkoffer. Er hangt een bui in de lucht en, zo zag ik tijdens de daling, twee lagen wolken tussen mij en de zon. Als ik een half uur later in het centrum uitstap, is daar Starbucks. Verkleumd tot op het bot en verleid door de posters van Kaneelchoco en Speculaaslatte, bestel ik een koffie. In het Nederlands, en het voelt zo goed!

‘Een medium latte graag!’ Het komt heerlijk vloeiend mijn mond uit, mijn moedertaal.
‘Would that be all?’
Even ben ik in de war. Zie ik er niet meer Nederlands uit?
‘Nee hoor, dat is het.’ Ik spreek extra duidelijk deze keer.
‘Okay, that will be three euro and ninety five cents.’
Ik ben verbijsterd en duw net iets te hard mijn pinpas in het apparaat.
Ze geeft me de koffie.
‘Dank je wel,’ zeg ik nijdig. Ze kijkt me verontschuldigend aan en ik denk aan een complot.

Met in de ene hand een latte en en in de andere een ratelende rolkoffer en een telefoon, ploeter ik door naar de kapper, die ik op goed geluk geboekt heb. Hij zit mooi op de route naar mijn volgende bestemming. Helaas doet google maps raar, en ik zie dat ik al vijf minuten lang 200 meter van de kapperszaak af ben. Een bouwvakker kruist mijn pad, en hij ziet er erg Amsterdams uit.

‘Kunt u me vertellen waar de Reguliersdwarsstraat is?’
Hij maakt een afwerend gebaar met zijn handen. ‘Sorry, no english.’
What the hell. Dit begint creepy te worden. Ik weet ondertussen voor 95 procent zeker dat ik Nederlands spreek.
‘IK SPREEK NEDERLANDS!’
De arme man deinst achteruit. Het Starbuckstrauma eist zijn tol.
‘No, no english.’, zegt hij angstig. Het is duidelijk dat ik onverstaanbaar ben. Ik ben een alien in mijn eigen land.

Ik ga even op een stoepje zitten, en puzzel uit wat er verkeerd is gegaan met de navigatie. Een paar minuten later ben ik op de goede weg, en al snel bereik ik mijn adres. Het blijkt een troosteloos vervallen zaak te zijn. Er hangt een bordje met ‘closed’ op de deur.

De moed zakt me in the shoes.

Wordt vervolgd..

fullsizerender

Snuffelbezoek

Vanaf de benedenverdieping klinkt een oorlogskreet, er wordt flink gevochten bij Mario Bros Super Smash. Het huis ruikt naar aftershave en deo. Drie paar jongensschoenen naast de schoenenmand, overal opladers van telefoons en het voedsel is niet aan te slepen. Lars is hier, met neef Steef en vriend Ignaz.

Ik glimlach en pak mijn tuinschaartje. Buiten is het knisperend weer, met blauwe lucht en net warm genoeg om zonder jas te zijn. Ik stap op een trapje en knip de citroenen uit de boom. Ze zijn eindelijk geel, na maandenlang voor limoen te hebben gespeeld. Zo vaak heb ik aan ze getwijfeld, gedacht dat ze nooit zouden rijpen. En nu pluk ik de vruchten, en verbaas me over de bedwelmend zoete geur, telkens weer als ik er een losknip. Ik kan niet stoppen met aan ze te snuffelen.

Dat ze hun hele schooltijd zouden blijven huilen als ik ze in de klas achterliet. Dat ze voor altijd dat speentje zouden houden. Dat ze nooit door zouden slapen. Dat deze griep nooit over zou gaan. Dat de eerste kus nooit zou komen. Dat die opstandige puber nooit meer lief tegen me zou doen.

Het schreeuwen en de Mario-geluiden stoppen. Ze gaan op eigen houtje douchen, pakken de huispuber bij haar lurven en stappen met z’n vieren op de trein. Vandaag staat het Vaticaan op het programma. ’s Avonds treffen we ze op de Piazza Navona, om met z’n allen een hapje te eten. Ze hebben een roos voor me gekocht en ik smelt. Tijdens het eten kijk ik naar ze en geloof nog steeds mijn ogen niet. Wat een geweldige kerels. Stuk voor stuk.

En als ze dan zelf hebben ingecheckt, zelf hun tassen hebben ingepakt, op eigen initiatief de logeerkamers netjes hebben achtergelaten, en uit de auto stappen om hun eigen zaakjes weer te gaan regelen in hun eigen huizen, omarm ik ze nog een keer. Ik ruik de zoete geur van schone, sterke jongens en moet mezelf dwingen niet even te snuffelen.

Sterk spul hoor, die citroenen.

fullsizerender

Race tegen de klok!

Ons kind gaat paintballen. We nemen aan dat het een paar uur gaat duren, dus plannen we wat uurtjes Rome voor onszelf: misschien een terrasje, een wandeling, een snelle toeristische attractie. Als echte Nederlanders komen we precies op tijd aan bij de Paintball-arena. Wij zijn echter niet de eersten, want Jeff, Kirsten en Amery, de Amerikanen, staan al ongeduldig en licht afkeurend te wachten, want laat voor vioolles. Als derde komen even later de Serviërs, boomlang en ready to shoot some ass. En dan is er heel lang niks, tot ze twintig minuten later, slippend over het zanderige pad, aan komen scheuren: de Italianen.

De paar uurtjes Rome zijn nu gereduceerd tot anderhalf, en zodra we Sophie van flink wat kogels hebben voorzien, scheuren we weg. Centrum schrijven we op ons buik, het park van Villa Borghese is nog net haalbaar. Helaas duurt het even voordat we een parkeerplek gevonden hebben, dus als we eindelijk door de statige hekken lopen en de villa zelf in het vizier hebben, staat er nog een uur resterende geniettijd op de klok.

We besluiten ons plan te reduceren tot een snel kopje koffie en haasten ons het park door op zoek naar een koffiebar. Er is er een in de dierentuin, maar daar moet je kaartjes voor kopen en we zijn geen dierentuinmensen. Op de kaart die we snel raadplegen, staat een afbeelding van een koffiekop, een paar honderd meter verderop. We lopen langs de Orangerie en een prachtige fontein van Bernini, en komen op de plek van het koffiekopje. Daar blijkt een gebouw ter grootte van het Binnenhof bovenop te staan: La Galleria Nazionale d’Arte Moderna e Contemporanea. En wij willen alleen maar naar dat koffiekopje.

Nu weet ik dat op de eerste zondag van de maand alle musea gratis zijn, dus deze hindernis is een makkelijke. We rennen door de deuren, grissen een vrijkaartje uit de hand van een vriendelijke poortwachtster, en lopen met strakke blik recht op ons doel af: de koffiehoek. Daar blijken ze alleen mini-cupjes espresso te verkopen, en daar hebben we nou net geen trek in. What else?

Een blik op de tijd leert ons dat we nog 25 minuten hebben om op de afgesproken tijd bij ons dochter te zijn, terwijl het 20 minuten rijden is. Den Ollanders in ons schieten in paniek, maar dan neemt iets zuidelijks bezit van ons. We worden ons gewaar van de prachtige kunstwerken die ons omringen, en beginnen, als gehypnotiseerd, door het museum te dwalen. Het wordt mooier en mooier, als we lopen langs Eugenio Gignous, Paul Cézanne en Claude Monet en zelfs twee heuse van Goghs! Dan schrikken we wakker en beseffen dat we nog 10 minuten tot de scheduled time of arrival (STA) hebben.

We rijden veel te hard en veel te roekeloos terug naar de verfbalspeeltuin. Met piepende remmen parkeren we onze auto driedubbel, en komen 25 minuten te laat bij de afgesproken plaats aan. De kinderen komen net, op hun gemak, naar buiten lopen.

Onze inburgering is zo goed als voltooid.

img_3232

Van Sinterklaas die niet naar Rome kwam

De grote Sinterklaasdip begint met een familietraditie: bobbelavond. Het is zaterdagavond, en ik heb eigenhandig van anderhalve kilo Romeinse tomaten de lekkerste romige tomatensoep ooit gemaakt. We hebben onze joggingbroek en sloffen aan, de kaarsen branden en de wijn is warm. Vandaag kijken we naar een film die we hebben gekocht op de zondagsmarkt in Trastevere.

Na de film loop ik naar boven en zie mijn mobiel oplichten. Lauren heeft de foto van de familieapp veranderd: het is een foto van een jaar of acht geleden, waarop we met z’n vijven heel gelukkig liggen te zijn in een grote hangmat. Ik zie monden waar tandjes uit missen, en het gemis is ineens veel te groot. Ik app terug, dat ik de foto zo schattig vind, en meteen belt ze me. Ze is bij haar vriendje thuis, en er is een verrassingssinterklaasfeest, en ze heeft een nieuwe trui en huissokken gekregen, net zoals ze daar allemaal dragen…
Ze doen wat ik vind dat ik eigenlijk moet doen.

Ik heb het verdrongen, en nu floept het omhoog. Hier voelt het niet als Sinterklaastijd, de terrassen zitten nog vol met mensen die tot laat in de avond wijn drinken bij de warmte van de terraswarmer. We kijken geen Nederlandse televisie, dus Dieuwertje en de intocht gaan volledig aan ons voorbij. We hebben sinds eind november al een neppe reuzenkerstboom, omdat er toch nergens pepernoten in de winkels liggen. En dan krijgt je dochter warme sokken van een andere moeder.

‘Ik wou je gewoon even bellen mam, omdat ik het zo lief van ze vond, en echt die trui is zo mooi, en ze waren zo lief en ik had het echt niet verwacht.’
En ik hoor alleen maar wat ik denk dat ze echt zegt: ‘Ik wil thuis zijn met Sinterklaas, ik mis ons met z’n allen op de bank op zaterdagavond, ik wil tegen je aan liggen onder een dekentje met sokken aan en dat je tomatensoep voor me maakt.’
‘Sophie gaat morgen met vriendinnen paintballen’, zeg ik, om het gaatje in mijn hart te stutten, ‘en ze wil niet. Ze is doodzenuwachtig.’
‘Echt?’ Grotezussenstem vervangt het kinderstemmetje. ‘Geef haar maar, dat heb ik ook nog nooit gedaan. Wat vet!’
En ik geef haar Sophie en luister naar het zussengegiechel en hoor dat Lauren’s vriendje Stijn ook nog aan de telefoon komt en haar een of andere magische peptalk geeft en ik zie haar opknappen en de pijn verlicht wat.

Sinterklaas, als u luistert, geef me het vermogen om mezelf in drieën te splitsen, zodat ik er altijd voor mijn kinderen kan zijn. Geef me de kracht om te blijven staan als ze verdrietig zijn, ook al doet het me nog zo’n pijn. En oh ja, geef de Supermercato kruidnootjes met chocoladejasje, want die vind ik oh zo fijn.

Dank u Sinterklaasje.

img_3710

Wat Maurizio met mijn hart deed

Achter het vervallen, lokale winkelcentrum lopen we de trap op naar de Studi Medici, het medisch centrum van ons dorp. We worden ingehaald door een in leren broek gehulde jonge vrouw met lange zwarte haren. Ze rent de trap op alsof haar leven ervan afhangt. Als we boven via de witte hal door de glazen deur lopen, staat ze ons al tegemoet te hijgen achter de ontvangstbalie.

‘Buongiorno.’ Het komt er grieperig uit, en haar ogen zijn dik van het snot dat overduidelijk bezit heeft genomen van haar mooie hoofdje.
‘Buongiorno,’ zeg ik, en ik laat haar mijn afsprakenkaartje zien. Ik ben hier voor een medische keuring, die verplicht is als je lid wilt worden van een sportschool in Italië.
‘We hebben geprobeerd u te bellen,’ zegt het meisje moeizaam, en ze pauzeert om even langdurig en luidruchtig haar neus te snuiten. ‘We wisten namelijk niet of u zou komen.’
Dat weet je hier blijkbaar nooit. Aan de ene kant is dat lastig, want degene waar je mee afspreekt is eigenlijk nooit op tijd. Aan de andere kant haalt het een hoop stress uit het dagelijks bestaan, want zelf hoef je je ook niet druk te maken als je met je scooter in de file staat. Het komt morgen wel. En anders volgende week.

‘Ik ben er dus.’ En stipt om halfelf natuurlijk, amateur-Romeinen die we zijn.
‘Ik zal dokter  Maurizio even bellen. Hij is weggegaan.’ Ze toetst een nummer in en ratelt sniffend wat in de telefoon. ‘Cinque minuti,’ zegt ze als ze ophangt.

Arno en ik maken het ons gemakkelijk op de rode leren bank, we nemen aan dat het de lange versie van vijf minuten zal worden. Wonderbaarlijk genoeg zwiert al heel snel de glazen deur open. Dan lijkt alles even in slow motion te gaan: een knappe man, met lichtgrijzende slapen en de uitstraling van George Clooney, waait de hal binnen. Hij draagt een bruinleren pilotenjack met stoere bontkraag en een strakke spijkerbroek. Als hij vriendelijk naar me lacht, en me wenkt met hem mee te komen, hoor ik Arno achter me zachtjes ‘zooo, jij boft vandaag…’ sissen.

Het is koud in de behandelkamer, en de dokter blaast in zijn handen. Hij houdt zijn leren jas aan. Ook hij is verkouden, maar ja, bruingebrande Italianen zouden natuurlijk niet aan zulke kou blootgesteld moeten worden. Hij meet mijn bloeddruk, en doet er heel lang over. Eerst de ene arm, dan de andere, hoe hoog is uw bloeddruk normaal? Ik begin me ongerust te maken, en dan ritst hij gedecideerd de band van mijn arm en zegt: ‘We doen 80 om 120’.
Het klinkt een beetje alsof hij me een gunst bewijst.
‘Wat weegt u?
Ik noem mijn gewicht en hij lacht dat hij dat wel gelooft.
Nog even een hartfilmpje, wat ook twee keer moet omdat ‘de printer raar doet’, en dan word ik naar de deur begeleid met het felbegeerde papiertje.
‘Il suo cuore è bene, uw hart is goed’, zegt hij nog even warm, terwijl hij licht mijn schouder aanraakt.

Er schuift geld over de balie, en de dokter spoedt zich langs ons heen de deur weer uit. Als we ons door de kou de trap af haasten, op weg naar een warme koffiebar, houd ik mijn hart vast.
Garantie tot aan de deur.

img_3701