Wat er gebeurt als je een Waarschuwingsteken negeert

Die zwarte kat op de parkeerplaats. Dat was een teken natuurlijk.

 ‘Krijg je acht man te logeren? Ik rij wel even met je mee naar mijn wijnboertje, kun je groot inslaan.’

Ik heb een Nederlandse vriendin die hier al heel lang woont. Ze spreekt vloeiend Italiaans en weet overal antwoord op. Wie de beste aannemer is, waar je de beste koffie drinkt, wanneer je pruimen oogst, je kunt het zo gek niet bedenken of ze weet het. Zo ook dus van die wijnboer. En waar hij woont.

We spreken af bij het restaurant op de hoek. Ze stapt bij me in de auto, we rijden de berg op en na twee minuten slaan we rechtsaf bij een stoffige oprit. Dat is dus gewoon bijna in mijn achtertuin! Een oude waakhond sloft in onze richting, maar draait na drie meter futloos weer om. Her en der liggen afgedankte autobanden en ijzeren gieters en de wijnranken reiken tot in het dal. Ik besef dat dit de real deal is.

Vriendin J. loopt kordaat de schuur in. Daar staan vier zilverkleurige vaten te wachten tot ze gemolken worden, ernaast een pallet met plastic containers. Of we zoet of droog willen. Rood of wit, drie liter of vijf. Ik spin van plezier, dit is zo echt Italiaans. We overleggen wat, tanken gul en dan komt de held van het huis, la mama, op sloffen aanschuifelen. Ze is minstens honderd en gaat blijkbaar over het geld, want zij is degene die me het wisselgeld in de hand drukt.

Ik besluit dat ik nu officieel kaaskop af ben, want ik kan voortaan zeggen dat ik bij ‘mijn eigen wijnboertje’ koop.

Op de terugweg rijden we langs een ander stoffig weggetje, en volgens ons mirakel ligt daar een mooi wandelgebied. Precies waar we al een jaar naar zoeken: een ruime uitlaatgelegenheid voor onze viervoeter. Had ik het maar eerder gevraagd.

En vandaag gaan we dan op die wandeling. Hond M. slaapt al dagen niet, legt constant haar speeltjes op mijn voeten, kortom, is duidelijk toe aan kilometerslange trektochten. En dochter S. beweegt al maanden niet, omdat hockey nog niet is begonnen. Twee vliegen in één klap.

Ik haal S. uit school, op de achterbank de hond, en we rijden zingend de berg op, zover het achterland in dat mijn telefoon geen bereik meer heeft. De wegen worden smaller, het wegdek steeds slechter. Als mijn auto de kuilen niet meer trekt, zetten we haar neer op een parkeerplaats, naast het kerkhof. Een zwarte kat komt naar ons toe lopen, terwijl labrador M. uitstapt. Als we M. weer uit de bosjes getrokken hebben, dalen we af naar het geluid van vallend water.

Het is een wonder. Niet ver van ons dorp vandaan staan we oog in oog met een oude molen, de molenstenen nog bij de voordeur. Een waterval klatert naast de roodbruine muren, en een klein stroompje loopt over de stenen onder de brug. Bij de waterval staat een groep wandelaars in stilte foto’s te maken, en ik wacht even tot ze weg zijn, zodat mijn hond hun plaatjes niet verpest. Ze blijven erg lang staan, terwijl het stroompje niet heel bijzonder is, behalve voor labradors met dorst.

Ik sta vlakbij ze, en uit mijn grieven zeer hardop.
‘Mijn God, wat duurt dat lang. Zo leuk is het hier ook weer niet.’
Een paar mensen splitsen zich af, maar de meesten blijven staan.
‘Ja, blijf nog even staan joh, schlomo’s. Neem nog een foto.’
Ik sta langs het stroompje, met mijn handen in mijn zij op mijn beurt te wachten.
‘Pfff, schiet eens op.’ Ik draai me om naar Sophie. ‘Hier heb ik zo’n hekel aan.’
Een blonde vrouw kijkt op en ik glimlach vriendelijk naar haar.
‘Hup hup, wegwezen met die hap,’ zeg ik heel flink in het Nederlands.

Als de vrouw en haar vriend nog steeds niet weggaan, trek ik geïrriteerd mijn hond mee en loop over de brug.
‘Kom Sophie,’ roep ik, ‘dan halen we ze wel even in, anders lopen we de hele tijd achter die slakken.’

Het is een hele klim, en we lopen arm in arm. We kletsen over school en puppies en dat ze zo graag een klein poesje wil. Na een half uur lopen over groene velden met indrukwekkende pijnbomen, keren we om.
‘Oh kijk, daar heb je dat langzame groepje weer,’ zeg ik, als we de watervalfotografen tegenkomen.
‘Hallo,’ zegt de vader van het gezelschap, terwijl hij me recht aankijkt.

Sophie ziet langzaam het besef bij me komen.
‘Je zei het allemaal heel hard!’
Ze kan de hele weg terug niet meer rechtop lopen van het lachen.

En ik had hem gezien, daar op de parkeerplaats bij de zwarte kat, die auto met de Nederlandse kentekenplaat. Kaaskop dat ik er ben.

IMG_9489

Over mijn romance met de Zwembadfluisteraar

‘Ik rij nú met een plasje naar de zwembaddokter,’ app ik een vriendin.

Als echte Romeinen ontvluchten we in juli de hitte van Rome. We gooien een emmer chloor in het zwembad en hopen er het beste van. Als we na een maand terugkomen, is het 42,5 graad en het water dat ons moet afkoelen groen.

Bedachtzaam loopt mijn man, gewapend met een teststrip, naar de met Italiaans marmer versierde badrand. Hij wrijft over zijn stoppelbaard en stroopt dan zijn mouw op tot boven zijn elleboog, om vervolgens de teststrip in het moeras te dippen. Als hij hem er weer uithaalt, kreunt hij. Het is niet goed. De chloor- en zuurwaarden zijn totaal uit balans, wat betekent dat bacteriën en andere nare organismen vrij spel hebben. Ons bad is ziek.

Gelukkig is thuisdokter Arno voorbereid. Hij bracht een paardenmiddel mee uit Amerika: drie flessen shocktherapie voor zwembaden.
‘Over een paar uur, hooguit een dag, zal het water weer blauw zijn. Alles wat het water ziek maakt zal in een keer sterven,’ bezweert hij mij. ‘Morgen zwemmen we weer.’

Maar de ziekmakers sterven niet. Het water is geen water meer, het is een gemuteerd groen monster geworden. Een monster dat immuun is voor chloor. Ons zwembad is de waterige versie van de Hulk, gevaarlijk en nou ja, groen dus.

‘Het komt wel goed,’ zegt mijn man. ‘We moeten geduld hebben.’

Maar de volgende dag gaat hij op reis, en laat mij achter met een hittegolf en een ziek zwembad. Ik heb niet zoveel geduld en doe wat ik als moeder al talloze malen gedaan heb: ik rij met een plasje in een potje naar de zwembaddokter, oftewel het plaatselijke tuincentrum. Zij weten vast wel wat er mis is.

‘En?’ vraagt de vriendin. ‘Wat zeiden ze?’
‘Het is erger dan we dachten,’ app ik terug. ‘De enige oplossing is een transfusie. De helft van het water moet eruit.’

En zo klim ik, thuisgekomen, in de bak van de installatie die het water rondpompt. Terwijl ik de zweetdruppels van mijn voorhoofd veeg en de muggen van me afsla, zet ik kleppen dicht en open, druk op hendels en draai aan schakelaars.

En zo stroomt het zwembad langzaam leeg.

Als de bak halfleeg is, zet ik het infuus aan. Uit drie slangen stroomt nieuw water de groene smurrie in. Het duurt een dag, en als mijn man weer thuis is, is het bad weer bijna vol, en iets lichter groen.

De mouw wordt weer opgerold en de met lichtgouden krulletjes behaarde arm gaat het groene water weer in. Het is nog steeds niet best en mijn thuisdokter dient meer medicijnen toe: liters vloeibare chloor en ph-verhoger. Daarna loopt hij dagenlang met een bruin ontbloot bovenlijf van pomp naar bad, van filter naar tuinslang en borstelt met lange halen urenlang de bodem. Ik kijk vanaf het ligbed intens toe.

Het groen verdwijnt, maar het blijft een troebele zooi. Talloze testjes wijzen uit dat het chloor het niet houdt. De algen blijven winnen. We testen, balanceren, vullen water bij, legen weer en blijven verliezen.

Twaalf dagen verstrijken, tot ik het niet meer kan aanzien.

‘We gaan het niet redden!’ roep ik op een ochtend. ’We moeten specialistische hulp inschakelen!’ Wanhopig trek ik aan zijn sterke arm, in een poging een eind te maken aan deze waanzin.
‘NOOIT!’, roept hij terug. ‘We moeten volhouden!’
Mijn hart breekt als hij mij voor het eerst van zijn leven van zich afschudt. Dan kijkt hij me diep in de ogen, en het is alsof ik recht in zijn ziel kijk.
‘Heb vertrouwen.’ Zijn stem klinkt hees. ‘Het komt echt wel goed.’

En inderdaad, op een mooie ochtend zien we de tegels op de bodem weer.

We winnen. Het water wordt helder en het chloorpeil stijgt. We kunnen het bijna niet geloven, maar na twee weken is het eindelijk zover. We kunnen weer zwemmen. Van blijdschap trekt Arno me in zijn armen en ik snuif zijn mannelijke after shave op. Als de dag zijn einde nadert, dobberen we eindelijk weer naast elkaar in het koele water.

‘Shocktherapie is geen product, het is een proces,’ zegt mijn zwembadfluisteraar, sippend aan een koud biertje terwijl hij bedachtzaam voor zich uitstaart. ‘Je denkt dat er shit in het water zit, maar het is het water zelf dat moet veranderen.’
Ik heb geen idee waar hij het over heeft, maar hij zegt het zo mooi.
‘Zoiets als de transformatie van de Hulk?’
Hij kijkt me aan, met een broeierige blik, en fluistert: ‘Ja, baby. Zoiets als de Hulk.’

Ik duik het blauwe water in om af te koelen.

(Vond je deze blog leuk? Vul dan in de kolom rechts je e-mailadres in, dan krijg je hem voortaan automatisch thuisgestuurd!)

zwembad

Hoe een paar cijfers mijn zelfvertrouwen tot het nulpunt lieten dalen

 

‘Als ik morgen opsta ga ik zeker het alarm vergeten.’

Gelaten kijk ik mijn dochter aan. Ze zucht, kent me al langer en weet dat het waar is. Dan pakt ze me resoluut bij mijn schouders.

‘Luister mam. Leg een voorwerp neer op een rare plek. Hang daar een sterke gedachte aan, zoals ‘denk aan het alarm’. Als je morgen wakker wordt en je ziet dat voorwerp, zal je er weer aan denken.’

Terug van weggeweest
We zijn weer thuis. Na een vakantie van vijf weken in Nederland en Amerika, zijn we weer neergestreken in Rome. Vijf weken van moeiteloos uit mijn woorden komen, begrepen worden, en ik maak me nu al druk om morgenochtend. Dat ik het alarm er vergeet af te halen en dat ik dan de vigilanza moet bellen, dat het vals alarm was. Want dan moet ik namelijk mijn huisnummer zeggen, 55b2, oftewel cinquantacinquebiedue.

En daar zit een klein traumaatje.

Picture this:
Met zeven Nederlandse vrouwen in een gehuurde bus. Ik, al een jaar in Rome wonend, en de anderen die bij me logeren. We zijn gezellig de stad in geweest, voor een drankje en een lange wandeling.

Als onze Bob door de slagbomen van mijn wooncomplex wil rijden, herkent de bewaking de huurauto niet. Wat we komen doen? Vol bravoure draai ik mijn raampje open en als de man mij niet schijnt te herkennen gooi ik ter identificatie mijn huisnummer eruit.

Cenqintocaque, eh, canqientocinque, eh, conquanticenque..HÈ SHIT!
De andere zes vrouwen liggen al onder de stoelen van het lachen.
‘Haha An, gaat lekker!’
Met een rood hoofd ga ik stug verder.
Cinque..can..cenquate..mijn god. I LIVE HERE!’

De meiden gillen het uit. De jonge man lacht mee, geeft ons een plattegrond van het park en begint rustig uit te leggen hoe ik naar mijn eigen huis moet rijden.

Met de moed der wanhoop gooi ik er nog uit dat ik hier woon. ‘Habito qui!’

Het komt niet meer aan. Een combinatie van de slappe lach, een slechte uitspraak en een Italiaan die het allemaal te leuk vindt, maakt dat we uiteindelijk toch de volledige routebeschrijving én een bonusknipoog krijgen.

Het hele verdere weekend pesten ze me ermee.

Ochtend
De wekker gaat en ik rol mijn bed uit. Mikki moet eten, even koffie zetten, het is vandaag niet zo warm in huis. Zou het chloor de algen in het zwembad al hebben opgegeten? Ik zoek het testsetje, vind het op een rare plek en gooi de deur naar het terras open.

WIEOEWIEOEWIEOEWIEOEWIEOEWIEOE

Ik weet dat mijn dochter boven met haar ogen rolt en toets het nummer van de vigilanza in.
 
‘Buongiorno!’
‘Buongiorno, false alarme, canquintoconquebadua.’
‘Prego.’

Ook zij kennen me al.

55b2

 

 

 

Casa Paradiso

Het is een komen en gaan, in ons Casa Paradiso.

Kinderen, familie, vrienden, ze stromen mijn logeerkamers binnen en zijn er slechts met moeite weer uit te jagen. De een zit de hele avond onder het afdak op de luie bank, luisterend naar muziek, genietend van een glas wijn en de vleugjes Jasmijn uit de struiken. Anderen willen de hele dag volleyballen, kaarten en badmintonnen op het met klavertjes bezaaide grasveld. Je hebt de Lindalezers die de bedden bij het zwembad bezetten, de Ontdekkingsreizigers, die met belegde broodjes Rome intrekken en vol verhalen weer aanschuiven bij de avondkoffie en als klap op de vuurpijl zijn daar de Terrashangers, waar we ellenlang mee barbecueën en over de zin van het leven praten.

Tussendoor hangen de witte lakens schoon te kraken in het warme briesje, draaien de badhanddoeken overuren in de droogtrommel en slaakt de koelkast een zucht van opluchting, verlost van de extra boodschappen. Het weer is zomers en de tuin ontploft. De granaatappelboom bloeit, de kersenboom heeft al zijn kersen gegeven en de vijgen hangen al een maand lang bijna rijp te zijn. Playing hard to get, I guess.

De vuilnis is al een paar weken niet opgehaald, en de overvolle bakken langs de straat zijn een luilekkerland voor ratten en wilde zwijnen. De muggen hebben zich in stilte vermenigvuldigd en laten zich maar moeilijk van ons terras en uit de slaapkamers jagen. De mieren trekken op langs de muren en het is heet, het is droog en het is vies. Ik hou er zo van. Van het huis en van de stad die in een jaar tijd zo aan me gegroeid is.

Uren kan ik slenteren door de straatjes, langs de winkels en de terrassen, elke maand vergezeld door een andere geur. Vorige maand was het de Jasmijn, die overal en altijd was en deze maand is het de Oleanderlucht die met me meereist. In de bloembakken aan de balkons van de okergele huizen bloeit van alles, en alle bloemen worden mooier tegen de eeuwenoude muren van betoverend Rome.

Ik hou van de ochtend, waarin ik de openslaande deuren opengooi en de tuin met z’n tropische palmbomen en statige olijfbomen me goedemorgen wenst. Ik hou van de middag, als mens en dier zich verstoppen voor de hitte, en alleen de bomen onversaagd de wacht blijven houden. Ik hou van de avond, net voor de zon ondergaat, wandelend in de koele avondbries. Het geluid van de stemmen uit de tuinen, de pannen in de keukens, de spelende kinderen op het gras.

En ik hou van de mensen, met de vriendelijkheid in hun ogen. Hun leven-en-laten-leven-houding, hun oog voor de schoonheid in alles, hun weigering om korte broeken te dragen, hun liefde voor kinderen en dieren, hun onvermogen om te haasten, hun voorkeur om op de stoep te parkeren in plaats van in de parkeergarage, hun onoplettendheid op de weg, hun acceptatie van wat niet te veranderen is, hun lange lunches met wijn en pasta, hun liefde voor het zachte leven.

Ooit vertelde iemand me dat je op moet passen met wat je wenst, omdat als je hart eenmaal weet wat je het allerliefste wilt, je er onverbiddelijk op af koerst. Zo plakte ik jaren geleden plaatjes uit tijdschriften op een groot blad, plaatjes van mijn ideale leven. In het midden tekende ik een rood hart met een schrijfveer erdoorheen. Ergens in een hoek plakte ik mijn droomhuis en vreemd genoeg ook een detail van de Sixtijnse kapel. Ik droomde van een fijn familiehuis, met een boomgaard en een buitentafel die steeds gevuld was met mensen die me lief waren. Waar ik een rustige plek had om te schrijven en waarvandaan ik eindeloos op avontuur kon.

Het was ons Casa Paradiso. Het huis waar iedereen graag komt, en waar wij voorlopig niet vandaan gaan.

IMG_6867

 

De Kapper in Rome

Ik heb een diepgewortelde aversie tegen het praten over koetjes en kalfjes. Tegen het zeggen van zinnen die al miljoenen keren gezegd zijn.

‘Lekker vaarweertje hè?’
‘Wat eet je vanavond?’
‘Het wordt een mooie dag zo te zien.’
‘Heet hè, die zon.’
‘Wat wordt het alweer vroeg donker hè?’

Ik weet dat dit soort gesprekken het smeermiddel van je sociale leven zijn. Maar ik ben er gewoon niet zo goed in. In tegenstelling tot Arno. Die kan het in het Italiaans. Stapt-ie uit de auto om een kilootje kersen te kopen bij een stalletje langs de weg, blijft-ie een kwartier weg. En maar zwaaien met z’n armen, en lachen, en die verkoper die hem dan joviaal op zijn arm slaat. Nieuwe beste vrienden. En dan glijdt-ie met een glimlach weer naast me op de passagiersstoel, kilo kersen op zijn schoot.

‘Waar hád je het over?’
‘Oh gewoon, waar hij woont en waar ik woon en dat Rome leuk is.’

En dan is hij de gevierde man en ik de arrogante bitch. Maar ik wil het gewoon niet. Ik wil praten over de olifant in de kamer. Ik wil praten over hoe die man daar op straat achter dat stalletje terecht is gekomen. Wat zijn zijn dromen, hoe ziet hij de toekomst, wat vindt hij van de zin van het leven? Vraag dat maar eens in het Italiaans, terwijl je je autosleutels en je plastic zakje met kersen vasthebt en in je rugzakje graaft op zoek naar drie cent omdat hij geen wisselgeld heeft. Dus zeg ik maar niks. En bedank met mijn vriendelijkste glimlach voor de zakelijke transactie. Terwijl de man zich alweer heeft omgedraaid naar de volgende klant, die wél over het weer praat en zijn nieuwe beste vriend kan worden.

En zo loop ik al maanden met dooie puntjes. Want de kapper hè, dat is de broedplaats van de gezellige kleine praatjes. Toch moet ik eraan geloven, en ga met Arno mee naar zijn kapsalon.

Als we binnenkomen, zitten er veel mensen te wachten. Arno is niet onder de indruk.

‘Is Jessica er?’

Jessica is de bazin, en ze knipt nog zelden. De eerste keer dat mijn man hier was, kreeg hij haar per ongeluk persoonlijk achter zijn stoel. Bij gebrek aan de woorden voor lekker kort, knippen, stoer, en goddelijk, liet hij haar een foto van George Clooney zien. Het moet een schouwspel geweest zijn. Vijf Italiaanse kapsters en drie mannelijke die in rap Italiaans Arno, zijn kapsel, George Clooney en het feit dat hij piloot was bespraken. Gierend van de lach. En Arno had acht nieuwe vrienden. En een hernieuwde George Clooney-look.

En ook vandaag komt Jessica, speciaal voor haar beste vriend George, direct haar kantoor uitschrijden. Hij mag, in plaats van op de wachtstoelen, direct plaatsnemen voor de spiegel. Ik niet. Al wachtend kijk ik verveeld wat rond en doe de volgende observaties:

  • Alle vrouwen zitten met een trieste blik met goudblonde verf in het haar naar zichzelf te staren.
  • Tijdschriften en koffie worden niet verstrekt.
  • Alle mannen die binnenkomen om geknipt te worden zien eruit alsof ze net bij de kapper vandaan komen.
  • Kletsen is not done. De klant kijkt met een duckface in de spiegel en de kapper knipt in opperste concentratie wat in het wilde weg. Dit is duidelijk serious business.

Het ziet er gunstig uit voor mij. Ze hebben hier geen stallen voor koetjes en kalfjes. Geen olifantenverblijven. Er is alleen witheid, trendy muziek en mooi stilzijn. Zelfs Arno houdt zijn mond.

Ik word in een kimono gehesen, en in een zak op mijn mouw wordt een briefje met mijn naam en gewenste behandeling gestopt. Mijn kapster neemt me mee naar de wasbakken en wast en masseert in alle rust, met cirkelende bewegingen, mijn hoofdhuid. De shampoo ruikt verdacht veel naar Zwitsal, en ik voel me veilig en geborgen.

Liefdevol kamt ze daarna mijn haren en loodst me vervolgens aan mijn arm naar de knipstoel. Daar zet ze drie knippen en gebaart dat ik moet gaan staan. Zo knipt ze de achterkant en duwt vervolgens zachtjes mijn hoofd naar beneden. Daar sta ik dan, kijkend naar mijn bruine knieën, en ik snap het gebrek aan gesprek. Ik mag weer gaan zitten en voor ik het weet blokt het geblaas van de föhn alle mogelijkheid tot vriendelijk geklessebes.

En dan is het klaar.

Ik sta op en moet een best aanzienlijk bedrag betalen voor een hoofdwasje, vijf knippen en een stroom gebakken lucht. Mijn haar is steil en niet veel korter, maar de kapster lacht tevreden. Als ik samen met Arno de zaak uitstap, roept al het personeel tegelijk ciao, arriverderci of salve naar hem. Ik maakte nooit een kans.

De volgende dag lunchen we met zes van onze nieuwe vrienden. De tafel staat aan de rand van een idyllisch meer, waar kleine zeilbootjes overheen scheren. De wind waait ons haar door de war, de wijn geeft rode blosjes en het is zo ontzettend gezellig. We praten over onze dromen en verlangens, over jaloezie en angsten, over emigreren en over hoe dankbaar en gelukkig we zijn dat we op deze prachtige plek mogen wonen. Ik voel me helemaal in mijn element.

De Italiaanssprekenden onder ons worden vrienden met de ober, en ik bewonder hen om het gemak waarmee ze in een paar zinnen verbinding kunnen maken. En ik vergeef mezelf.

Want ik vaar gewoon niet zo goed op de oppervlakkige wateren. Ik ben meer een diepzeeduiker.

FullSizeRender (1)

De Geheime Rondleiding

Als we op de markt in Trastevere lopen, valt er iets uit de lucht. Ik buk en raap het op. Het is een stenen engeltje.
Het is zo klein, dat het precies in de palm van mijn hand past. Daar ligt het, afgeschermd van de buitenwereld in het kommetje dat mijn duim en pink vormen. Een stukje van zijn vleugel is afgebroken.
Ik stop het behoedzaam in de zak van mijn zwarte leren jas, en af en toe wrijf ik over het gladde steen, lopend langs de marktkraampjes op de Porta Portese.
‘Niet te geloven toch?’ zeg ik tegen de anderen, ‘een engel die uit het niets voor je voeten valt!’
‘Het is Icarus,’ zegt mijn Gymnasiumzoon, ‘de engel die door hoogmoed uit de hemel viel.’
‘Het is een demon,’ zegt mijn dochter de Fantasywriter, ‘een engel die uit de hemel verstoten werd.’
‘Het is een beeldje met een kapotte vleugel,’ zegt mijn pilootman, ‘niks zweverigs aan.’
Het is een engel, denk ik. Een engel met een stukje eraf.

Weken later lopen we over de Ponte Sant’Angelo naar de Engelenburcht. Als we bij de kassa de entreekaartjes kopen, valt Arno’s oog op een onopvallend pamflet op de balie: om vier uur is er een rondleiding, genaamd de ‘The Secret Castle’.
‘Zullen we die doen? Er staat dat we ruimtes in mogen waar niemand anders mag komen!’
De pret staat in zijn ogen en we betalen extra voor de geheime toer. Het voelt als smeergeld.

Binnen bij de fontein staat onze gids Lea op ons te wachten; een giechelende Romeinse met een enorme bos haar en een energieke uitstraling.
‘Welkom op de geheime rondleiding!’ Ze rammelt met haar grote sleutelbos. ‘Vandaag komen we op plekken die voor de gewone toerist verborgen blijven.’
Ik verkneukel me te pletter. Echt iets voor ons!

Lea neemt ons mee op een zwerftocht door het kasteel. Door een geheime gang tussen het Vaticaan en de burcht, langs muren die vroeger behangen waren met marmer, langs prachtige kunstwerken, beelden van aartsengel Michaël en als kers op de taart een adembenemend uitzicht over Rome. Lea huppelt, giechelt en roddelt, en wij volgen haar op de voet, hongerig naar het geluid van de sleutelbos.

Het kasteel is cirkelvormig, en vanaf de buitenste ring, waar de warme middagzon weerkaatst op de kanonnen, lopen we steeds dieper de voormalige graftombe in. Dan, op een binnenplaats waar poezelige pasteltinten en fraaie fresco’s de boventoon voeren, haalt Lea de sleutelbos weer tevoorschijn. Ze opent een piepklein, betralied deurtje voor ons.

We dalen af in een smalle gang, en komen in een bedompte kelder met door stalen palen gestutte gewelven. Er staan hier vitrines vol martelwerktuigen opgesteld. Van tangen om rugspieren mee kapot te knippen tot kniesplijters en vierendelers. Grafische illustraties van de marteltechnieken doen al pijn als ik ernaar kijk. Het is hier koud, donker en de stank van schimmel maakt de grimmige sfeer compleet.

We lopen door kerkers en ik durf te zweren dat ik verdoemde zielen hoor fluisteren. De muren zitten vol met gaten waar de gevangenen aan vastgeketend zaten. Net als ik wil gaan gillen voel ik ineens de zon op mijn gezicht. We staan weer op het idyllische binnenplaatsje, waar toeristen die geen smeergeld betaalden rustig rondscharrelen, zich onbewust van de diepduistere krochten van de burcht van de Engelen.

Ik hap naar adem.

‘Mensen zijn animals,’ zeggen de Amerikanen in onze groep.
‘Dat was best heftig,’ piep ik.
‘Willen jullie het adres van de beste ijszaak in Rome?’ kirt Lea.
Ze typt, heel lief, een lange lijst van restaurants en ijssalons in mijn telefoon. Als ik hem weer in mijn zak stop, strijkt mijn vinger langs de kapotte vleugel van mijn stenen beeldje.

Die is ook niet helemaal goed. En toch is het echt een engel.

IMG_6402

Koningsnacht in Rome

De verzekeringsmevrouw belt: de koerier die de papieren voor de auto komt afleveren kan ons huis niet vinden. We voorzien haar van nog duidelijker instructies.
Grazie!’, zegt ze. ‘Ik geef het door! Laten we duimen dat ze nog niet aan het lunchen zijn.’
Dat zijn ze blijkbaar wel. De koeriers komen niet meer. Ik heb een visioen van Mario en Luigi die met een wijntje uit zitten te buiken achter hun pasta.
‘Ah, die Ollandesi he? Nee, daar gaan we niet meer heen, geen zin meer, basta. Morgen misschien weer. Of overmorgen.’

En zo zitten we al dagen aan huis gekluisterd, terwijl de postbode ook al drie weken niet meer is geweest. Ik voel een onbedwingbare behoefte opborrelen om me vol te gaan proppen met Nederlandsheid. Me tegoed te doen aan een flinke dosis zakelijkheid, overgoten met daadkracht, afgemaakt met een toefje stiptheid. En ik weet ook waar ik het kan halen: de Koningsdagreceptie op de residentie van de Nederlandse ambassadeur.

De dresscode is ‘elegant with a touch of orange’ en terwijl ik de uitnodiging nalees belt Anna: zij en Maaike gaan ook. Anna heeft een kekke oranje blouse met tulpmotief gekocht in het dorp, en haar kennende weet ik dat-ie elegant is. Ik duik de verhuisdoos met oranje feestspullen op en kieper ‘m om. Voor me liggen plastic toeters, oranje clownspruiken, een nepleren Heinekenjurk met een sexy decolleté en een bodysuit in de kleuren van de Nederlandse vlag. Ik twijfel. Dan besluit ik een bloemenmuts te slopen en prik een van de neptulpen op mijn witte jasje. Mijn prins speld ik er ook een op en zo stappen we elegant de auto in.

Bij de poort van de ambassadeurswoning worden we ontvangen door twee nette meisjes en onze naam staat keurig vermeld op de gastenlijst. De ambassadeur zelf staat met zijn vrouw en andere belangrijkheden strak opgelijnd. Het begint goed, mijn behoefte aan structuur geniet van al dit lekkers. We schudden handen en betreden daarna het feestelijk versierde landgoed.

Meteen stuiten we op een kluitje Nederlandse vrienden, de Heineken bierbar en een dienblad met bitterballen. We hadden het niet beter kunnen plannen. Na de toespraak van de gastheer zingen we het Wilhelmus, met de hand op het hart. Er zijn puntzakken patat, poffertjes en sateetjes met pindasaus. Iedereen staat geduldig in de drie rijen, en ondanks de drukte gaat alles heerlijk snel en soepel. De dames bij de sponsortenten van Rabobank, Philips en Randstad glimlachen verleidelijk, ze stoppen ons cadeautjes toe en wij laten ons verwennen. We drinken goed en eten veel en ik denk aan remigratie.

Als we dan, al zitten we al propvol, knabbelend aan een Magnum-ijsje teruglopen terug naar onze auto’s, voelt de avond zwoel en knikt de bewaker bij de poort ons glimlachend toe.
Buonasera’.
Zijn ogen stralen een immense vriendelijkheid uit, en hij staat daar zo heerlijk op zijn gemak te zijn. Ineens weet ik weer waarom deze mensen en dit land zo in mijn hart zitten. Een schuldgevoel over mjin oranje vreetbui overvalt me. Het is net als na een Big Mac menu: ik vreet me vol en daarna heb ik altijd spijt.

Morgen eten we weer gewoon pasta.

IMG_5992