De Kapper in Rome

Ik heb een diepgewortelde aversie tegen het praten over koetjes en kalfjes. Tegen het zeggen van zinnen die al miljoenen keren gezegd zijn.

‘Lekker vaarweertje hè?’
‘Wat eet je vanavond?’
‘Het wordt een mooie dag zo te zien.’
‘Heet hè, die zon.’
‘Wat wordt het alweer vroeg donker hè?’

Ik weet dat dit soort gesprekken het smeermiddel van je sociale leven zijn. Maar ik ben er gewoon niet zo goed in. In tegenstelling tot Arno. Die kan het in het Italiaans. Stapt-ie uit de auto om een kilootje kersen te kopen bij een stalletje langs de weg, blijft-ie een kwartier weg. En maar zwaaien met z’n armen, en lachen, en die verkoper die hem dan joviaal op zijn arm slaat. Nieuwe beste vrienden. En dan glijdt-ie met een glimlach weer naast me op de passagiersstoel, kilo kersen op zijn schoot.

‘Waar hád je het over?’
‘Oh gewoon, waar hij woont en waar ik woon en dat Rome leuk is.’

En dan is hij de gevierde man en ik de arrogante bitch. Maar ik wil het gewoon niet. Ik wil praten over de olifant in de kamer. Ik wil praten over hoe die man daar op straat achter dat stalletje terecht is gekomen. Wat zijn zijn dromen, hoe ziet hij de toekomst, wat vindt hij van de zin van het leven? Vraag dat maar eens in het Italiaans, terwijl je je autosleutels en je plastic zakje met kersen vasthebt en in je rugzakje graaft op zoek naar drie cent omdat hij geen wisselgeld heeft. Dus zeg ik maar niks. En bedank met mijn vriendelijkste glimlach voor de zakelijke transactie. Terwijl de man zich alweer heeft omgedraaid naar de volgende klant, die wél over het weer praat en zijn nieuwe beste vriend kan worden.

En zo loop ik al maanden met dooie puntjes. Want de kapper hè, dat is de broedplaats van de gezellige kleine praatjes. Toch moet ik eraan geloven, en ga met Arno mee naar zijn kapsalon.

Als we binnenkomen, zitten er veel mensen te wachten. Arno is niet onder de indruk.

‘Is Jessica er?’

Jessica is de bazin, en ze knipt nog zelden. De eerste keer dat mijn man hier was, kreeg hij haar per ongeluk persoonlijk achter zijn stoel. Bij gebrek aan de woorden voor lekker kort, knippen, stoer, en goddelijk, liet hij haar een foto van George Clooney zien. Het moet een schouwspel geweest zijn. Vijf Italiaanse kapsters en drie mannelijke die in rap Italiaans Arno, zijn kapsel, George Clooney en het feit dat hij piloot was bespraken. Gierend van de lach. En Arno had acht nieuwe vrienden. En een hernieuwde George Clooney-look.

En ook vandaag komt Jessica, speciaal voor haar beste vriend George, direct haar kantoor uitschrijden. Hij mag, in plaats van op de wachtstoelen, direct plaatsnemen voor de spiegel. Ik niet. Al wachtend kijk ik verveeld wat rond en doe de volgende observaties:

  • Alle vrouwen zitten met een trieste blik met goudblonde verf in het haar naar zichzelf te staren.
  • Tijdschriften en koffie worden niet verstrekt.
  • Alle mannen die binnenkomen om geknipt te worden zien eruit alsof ze net bij de kapper vandaan komen.
  • Kletsen is not done. De klant kijkt met een duckface in de spiegel en de kapper knipt in opperste concentratie wat in het wilde weg. Dit is duidelijk serious business.

Het ziet er gunstig uit voor mij. Ze hebben hier geen stallen voor koetjes en kalfjes. Geen olifantenverblijven. Er is alleen witheid, trendy muziek en mooi stilzijn. Zelfs Arno houdt zijn mond.

Ik word in een kimono gehesen, en in een zak op mijn mouw wordt een briefje met mijn naam en gewenste behandeling gestopt. Mijn kapster neemt me mee naar de wasbakken en wast en masseert in alle rust, met cirkelende bewegingen, mijn hoofdhuid. De shampoo ruikt verdacht veel naar Zwitsal, en ik voel me veilig en geborgen.

Liefdevol kamt ze daarna mijn haren en loodst me vervolgens aan mijn arm naar de knipstoel. Daar zet ze drie knippen en gebaart dat ik moet gaan staan. Zo knipt ze de achterkant en duwt vervolgens zachtjes mijn hoofd naar beneden. Daar sta ik dan, kijkend naar mijn bruine knieën, en ik snap het gebrek aan gesprek. Ik mag weer gaan zitten en voor ik het weet blokt het geblaas van de föhn alle mogelijkheid tot vriendelijk geklessebes.

En dan is het klaar.

Ik sta op en moet een best aanzienlijk bedrag betalen voor een hoofdwasje, vijf knippen en een stroom gebakken lucht. Mijn haar is steil en niet veel korter, maar de kapster lacht tevreden. Als ik samen met Arno de zaak uitstap, roept al het personeel tegelijk ciao, arriverderci of salve naar hem. Ik maakte nooit een kans.

De volgende dag lunchen we met zes van onze nieuwe vrienden. De tafel staat aan de rand van een idyllisch meer, waar kleine zeilbootjes overheen scheren. De wind waait ons haar door de war, de wijn geeft rode blosjes en het is zo ontzettend gezellig. We praten over onze dromen en verlangens, over jaloezie en angsten, over emigreren en over hoe dankbaar en gelukkig we zijn dat we op deze prachtige plek mogen wonen. Ik voel me helemaal in mijn element.

De Italiaanssprekenden onder ons worden vrienden met de ober, en ik bewonder hen om het gemak waarmee ze in een paar zinnen verbinding kunnen maken. En ik vergeef mezelf.

Want ik vaar gewoon niet zo goed op de oppervlakkige wateren. Ik ben meer een diepzeeduiker.

FullSizeRender (1)

De Geheime Rondleiding

Als we op de markt in Trastevere lopen, valt er iets uit de lucht. Ik buk en raap het op. Het is een stenen engeltje.
Het is zo klein, dat het precies in de palm van mijn hand past. Daar ligt het, afgeschermd van de buitenwereld in het kommetje dat mijn duim en pink vormen. Een stukje van zijn vleugel is afgebroken.
Ik stop het behoedzaam in de zak van mijn zwarte leren jas, en af en toe wrijf ik over het gladde steen, lopend langs de marktkraampjes op de Porta Portese.
‘Niet te geloven toch?’ zeg ik tegen de anderen, ‘een engel die uit het niets voor je voeten valt!’
‘Het is Icarus,’ zegt mijn Gymnasiumzoon, ‘de engel die door hoogmoed uit de hemel viel.’
‘Het is een demon,’ zegt mijn dochter de Fantasywriter, ‘een engel die uit de hemel verstoten werd.’
‘Het is een beeldje met een kapotte vleugel,’ zegt mijn pilootman, ‘niks zweverigs aan.’
Het is een engel, denk ik. Een engel met een stukje eraf.

Weken later lopen we over de Ponte Sant’Angelo naar de Engelenburcht. Als we bij de kassa de entreekaartjes kopen, valt Arno’s oog op een onopvallend pamflet op de balie: om vier uur is er een rondleiding, genaamd de ‘The Secret Castle’.
‘Zullen we die doen? Er staat dat we ruimtes in mogen waar niemand anders mag komen!’
De pret staat in zijn ogen en we betalen extra voor de geheime toer. Het voelt als smeergeld.

Binnen bij de fontein staat onze gids Lea op ons te wachten; een giechelende Romeinse met een enorme bos haar en een energieke uitstraling.
‘Welkom op de geheime rondleiding!’ Ze rammelt met haar grote sleutelbos. ‘Vandaag komen we op plekken die voor de gewone toerist verborgen blijven.’
Ik verkneukel me te pletter. Echt iets voor ons!

Lea neemt ons mee op een zwerftocht door het kasteel. Door een geheime gang tussen het Vaticaan en de burcht, langs muren die vroeger behangen waren met marmer, langs prachtige kunstwerken, beelden van aartsengel Michaël en als kers op de taart een adembenemend uitzicht over Rome. Lea huppelt, giechelt en roddelt, en wij volgen haar op de voet, hongerig naar het geluid van de sleutelbos.

Het kasteel is cirkelvormig, en vanaf de buitenste ring, waar de warme middagzon weerkaatst op de kanonnen, lopen we steeds dieper de voormalige graftombe in. Dan, op een binnenplaats waar poezelige pasteltinten en fraaie fresco’s de boventoon voeren, haalt Lea de sleutelbos weer tevoorschijn. Ze opent een piepklein, betralied deurtje voor ons.

We dalen af in een smalle gang, en komen in een bedompte kelder met door stalen palen gestutte gewelven. Er staan hier vitrines vol martelwerktuigen opgesteld. Van tangen om rugspieren mee kapot te knippen tot kniesplijters en vierendelers. Grafische illustraties van de marteltechnieken doen al pijn als ik ernaar kijk. Het is hier koud, donker en de stank van schimmel maakt de grimmige sfeer compleet.

We lopen door kerkers en ik durf te zweren dat ik verdoemde zielen hoor fluisteren. De muren zitten vol met gaten waar de gevangenen aan vastgeketend zaten. Net als ik wil gaan gillen voel ik ineens de zon op mijn gezicht. We staan weer op het idyllische binnenplaatsje, waar toeristen die geen smeergeld betaalden rustig rondscharrelen, zich onbewust van de diepduistere krochten van de burcht van de Engelen.

Ik hap naar adem.

‘Mensen zijn animals,’ zeggen de Amerikanen in onze groep.
‘Dat was best heftig,’ piep ik.
‘Willen jullie het adres van de beste ijszaak in Rome?’ kirt Lea.
Ze typt, heel lief, een lange lijst van restaurants en ijssalons in mijn telefoon. Als ik hem weer in mijn zak stop, strijkt mijn vinger langs de kapotte vleugel van mijn stenen beeldje.

Die is ook niet helemaal goed. En toch is het echt een engel.

IMG_6402

Koningsnacht in Rome

De verzekeringsmevrouw belt: de koerier die de papieren voor de auto komt afleveren kan ons huis niet vinden. We voorzien haar van nog duidelijker instructies.
Grazie!’, zegt ze. ‘Ik geef het door! Laten we duimen dat ze nog niet aan het lunchen zijn.’
Dat zijn ze blijkbaar wel. De koeriers komen niet meer. Ik heb een visioen van Mario en Luigi die met een wijntje uit zitten te buiken achter hun pasta.
‘Ah, die Ollandesi he? Nee, daar gaan we niet meer heen, geen zin meer, basta. Morgen misschien weer. Of overmorgen.’

En zo zitten we al dagen aan huis gekluisterd, terwijl de postbode ook al drie weken niet meer is geweest. Ik voel een onbedwingbare behoefte opborrelen om me vol te gaan proppen met Nederlandsheid. Me tegoed te doen aan een flinke dosis zakelijkheid, overgoten met daadkracht, afgemaakt met een toefje stiptheid. En ik weet ook waar ik het kan halen: de Koningsdagreceptie op de residentie van de Nederlandse ambassadeur.

De dresscode is ‘elegant with a touch of orange’ en terwijl ik de uitnodiging nalees belt Anna: zij en Maaike gaan ook. Anna heeft een kekke oranje blouse met tulpmotief gekocht in het dorp, en haar kennende weet ik dat-ie elegant is. Ik duik de verhuisdoos met oranje feestspullen op en kieper ‘m om. Voor me liggen plastic toeters, oranje clownspruiken, een nepleren Heinekenjurk met een sexy decolleté en een bodysuit in de kleuren van de Nederlandse vlag. Ik twijfel. Dan besluit ik een bloemenmuts te slopen en prik een van de neptulpen op mijn witte jasje. Mijn prins speld ik er ook een op en zo stappen we elegant de auto in.

Bij de poort van de ambassadeurswoning worden we ontvangen door twee nette meisjes en onze naam staat keurig vermeld op de gastenlijst. De ambassadeur zelf staat met zijn vrouw en andere belangrijkheden strak opgelijnd. Het begint goed, mijn behoefte aan structuur geniet van al dit lekkers. We schudden handen en betreden daarna het feestelijk versierde landgoed.

Meteen stuiten we op een kluitje Nederlandse vrienden, de Heineken bierbar en een dienblad met bitterballen. We hadden het niet beter kunnen plannen. Na de toespraak van de gastheer zingen we het Wilhelmus, met de hand op het hart. Er zijn puntzakken patat, poffertjes en sateetjes met pindasaus. Iedereen staat geduldig in de drie rijen, en ondanks de drukte gaat alles heerlijk snel en soepel. De dames bij de sponsortenten van Rabobank, Philips en Randstad glimlachen verleidelijk, ze stoppen ons cadeautjes toe en wij laten ons verwennen. We drinken goed en eten veel en ik denk aan remigratie.

Als we dan, al zitten we al propvol, knabbelend aan een Magnum-ijsje teruglopen terug naar onze auto’s, voelt de avond zwoel en knikt de bewaker bij de poort ons glimlachend toe.
Buonasera’.
Zijn ogen stralen een immense vriendelijkheid uit, en hij staat daar zo heerlijk op zijn gemak te zijn. Ineens weet ik weer waarom deze mensen en dit land zo in mijn hart zitten. Een schuldgevoel over mjin oranje vreetbui overvalt me. Het is net als na een Big Mac menu: ik vreet me vol en daarna heb ik altijd spijt.

Morgen eten we weer gewoon pasta.

IMG_5992

De Schuldigen en het Smoesje

Ik rij op de Via Cassia als mijn telefoon gaat. Op het scherm staat dat het Sylvia is, de mevrouw die onze auto op Italiaanse kentekenplaten aan het zetten is. En ze spreekt geen woord Engels. En ik nog steeds zeer weinig Italiaans.

Even overweeg ik om niet op te nemen. Maar ik rij in een huurauto omdat we niet meer in onze eigen auto mogen rijden, dus het is zaak dat die mevrouw voortmaakt. En Arno zit ergens in het verre, verre Oosten. Negeren is dus geen optie.

‘Pronto!’

Zo neem ik op. Heel cool en heel Italiaans. Ik kan het ook heel goed uitspreken, net als ‘grazie’, ‘arriverderci’ en ‘va bene’. De valkuil is echter, dat men, omdat ik deze basiswoorden zo onwerkelijk goed uitspreek, denkt dat ik de taal machtig ben. Terwijl ik die totaal onmachtig ben. Ik ben verbaal hulpeloos, als een baby die wil eten en alleen ‘wèèèè’ kan zeggen.

Sylvia weet gelukkig dat ik Nietaliaans spreek. Ze praat tegen me alsof ik doof ben.
‘Jouw auto naar keuren. Jij op vrijdag naar garage. Jij Arno zeggen hij naar mij komt op donderdag. Vier uur.’
Ik zoek naarstig naar het woord voor ‘waarom’: por que, pourquoi, why, warum, ze liggen allemaal gedienstig klaar op mijn tong. Maar het goeie zit er niet bij. Zo veel talen en toch zo stom.

Dus ik zeg maar ‘si’, hang op met een voortreffelijk uitgesproken ‘ciao’ en realiseer me dat Arno pas op vrijdag thuiskomt. Nu heb ik een afspraak voor hem gemaakt op een dag dat hij er niet is, terwijl ik geen idee heb waarom hij er moet zijn.
‘Gaat lekker mam,’ zegt mijn dochter droog. Ik haal mijn schouders op. De zon schijnt en er zijn heel veel talen die ik wel goed spreek.

Het is gewoon de schuld van al die leuke niet-Italianen die hier wonen. Die Nederlandse en Ierse expats waar ik mee hang en carpool. Die leuke KLM-collega’s waar we zo gezellig in ons moerstaal mee borrelen en dineren. Italiaanse B en C die zo goed Engels spreken en alles voor ons vertalen. Al dat bezoek uit Nederland waar ik natuurlijk ontzettend veel Nederlands mee moet kletsen. Onze Nederlandstalige kinderen die hier regelmatig neervlijen.

Gelukkig heb ik Lucia. Mijn yogalerares spreekt geen woord over de grens. En ze praat heel veel, veel meer dan ze oefeningen doet. Daarom spreek ik nu een aardig woordje Spiritaliaans. Ik weet de woorden voor ontspannen, in- en uitademen, loslaten, balans, zweven, hart, rustig en stil. En dat zijn eigenlijk alle dingen die ik hier kwam zoeken. Oh en ‘vazjína’, dat zegt ze ook heel vaak tijdens de ontspanningsoefeningen. Dat vind ik dan wel weer een beetje ongemakkelijk.

Ik ga gewoon aanstaande donderdag naar Sylvia en leg heel ontspannen uit dat ik in mijn hart weet dat ik de Italiaanse cultuur meer moet gaan inademen, maar dat ze het misschien moet loslaten. Dat Arno ergens volkomen in balans boven de oceaan zweeft, dus even niet hier en nu is. En dat ik een vazjína heb dus geen verstand van garages. Da’s ook altijd een fijn smoesje.

En dan is alles weer heerlijk ultimo tranquilo. Toch?

IMG_5442

Het Schema van de Mafia

Ze komen overdag. Met vrachtwagens, en soms ook te voet. Ze komen als je denkt dat ze je huis gaan overslaan en altijd als je niet kijkt. Soms laten ze iets liggen: een halve uitgeperste citroen of een stuk van een blauwe envelop. Stille slachtoffers van een snelle transactie, uitgevoerd door Onzichtbaren. Het zijn altijd mannen. En de fluistering in de wandelgangen is dat de mafia erachter zit.

In onze tuinmuur zit een nis, ter grootte van een kofferbak. We noemen het de vuile nis.  De binnenkant is behangen met een smerige koek van ondefinieerbare vuilresten, want het is de ruimte waar ik mijn afval in achterlaat. De deurtjes zijn van vergrijsd staal, een kleur waar hedendaagse interieurontwerpers van likkebaarden. In dit geval waarschijnlijk met de neus dichtgeknepen.

Het is een slim systeem: aan de tuinkant van het hok zit een deurtje, en aan de straatkant zit ook een deurtje. Zo kan ik er aan mijn kant van de muur een zak afval in zetten en kan de vuilnisman hem er aan de andere kant uithalen.

Die vuilnisdienst is niet mijn vriend. Toen we hier pas woonden, volgde ik braaf het schema dat aan de binnenkant van het keukenkastje hing. Maandag plastic, dinsdag papier, woensdag restafval, donderdag organisch. Maar niets werd opgehaald en de temperatuur liep soms op tot 38 graden. Zo kon het gebeuren dat de kippenpoten van twee weken geleden op het vergrijsde stalen deurtje klopten: ‘Tok tok, mag ik eruit?’

Als echte Hollander zocht ik naar redenen: is het vakantie, is het schema veranderd, moet ik het deurtje open laten staan, wordt dit systeem niet meer gebruikt, is er een staking, is het een complot, moet ik steekpenningen betalen, heb ik de verkeerde vuilniszakken, ben ik gek, zijn Romeinen gek, zet ik het te vroeg buiten, moet ik het zelf naar de stort brengen, is iedereen dood en weten wij het nog niet?

Tot de dag dat ik de brievenbus opendoe en er iets in zit. Dat is een wonder op zich, want de postbode is ook chronisch afwezig. Er ligt een kleurige folder in, gedrukt op dik glimmend papier: het is een plattegrond van ons park, met vuilophaaldata en zelfs precieze ophaaltijden. Ik lach door mijn tranen heen: ik ben niet gek, het oude ophaalschema is gek!

Nu komt alles goed. Ik spuit de wanden van de vuile nis provisorisch schoon, als symbool voor een frisse start. Ik verzamel mijn plastic, restjes, papier, glas, metaal en durf zelfs de kippenpoten weer in het hok te laten. En het werkt! Als een goed geolied team werken we samen nu, de vuilnisman en ik. Ik zet op schematijd de zakken in het hok en de Onzichtbare haalt ze er ergens op de dag weer uit. Alles klopt en mijn Nederlandse hart zingt.

Helaas duurt het niet lang. De mafia schijnt dwars te liggen. Het ophaalschema hangt nog steeds aan mijn koelkast, maar is compleet losgelaten door het afvalbedrijf. Ik besef dat als ik mentaal gezond wil blijven, ik er ook speels mee om moet leren gaan. Dus als er staat: woensdag plastic van 9.00 – 12.00 uur, dan zet ik op vrijdagmiddag het papier in de nis, waar het waarschijnlijk op maandagavond zelfstandig uit zal weglopen.

t Zijn de kleine dingen die het doen,’ zongen Saskia en Serge al. En echt, als je me ziet huppelen als mijn vuile nis per ongeluk een keer leeg is, dan snap je dat dat waar is.

 

IMG_5640

Over het Boek van Angelique

Als door een wesp gestoken sprong Mijnheer Tom, de beheerder van het Reismagazijn, op.
‘Koning Hoofd? Koningin Hart? Wat doet u hier?’
Hij kon zijn ogen niet geloven. Sinds hun scheiding waren ze nooit meer samen gezien.
‘Wij zijn onze kinderen aan het vinden.’ Op de een of andere manier vond de koning dat hoopvoller klinken dan zeggen dat ze hun kinderen aan het zoeken waren. ‘Ze zijn op reis gegaan zonder onze toestemming. En er zitten twee van mijn agenten achter hen aan die ik niet helemaal vertrouw. Ik wil dat je onmiddellijk mijn Helifietzeeër uit de stalling haalt en klaarmaakt voor vertrek.’
‘Die is al klaar voor vertrek, Majesteit,’ de stem van Mijnheer Tom piepte nu een beetje. ‘En hij is ook al vertrokken.’
‘Wát?’ Het gezicht van de koning werd paars. ‘Vertrokken? Met wie? Aan wie heb jij de Koninklijke Helifietzeeër meegegeven?’
‘Aan uw zoon en dochter, oh Hoogstverstandelijke Hoogheid. Echt, ik had er geen idee van dat u er ooit nog in zou vliegen, eh, rijden, eh, fietsen, eh varen.’

Ik ben zo lekker aan mijn boek aan het schrijven. Het fijnst zijn de dagen dat de zon schijnt, mijn blote benen languit op de buitenbank, de zon al flink warm. Koffie onder handbereik, en elke keer probeer ik een ander Italiaans koekje uit. Met de geur van versgemaaid gras in mijn neus, en als enig geluid de zangvogels die ook zo blij zijn dat het hier chronisch lente lijkt te zijn.

Het begon met een vraag van Wibe Veenbaas: ‘Stel, je zit aan het voeteneind van je eigen bed, van toen je kind was. Welk verhaal zou je jezelf dan vertellen?’

Ik begon te schrijven en hield niet meer op. Het werd het begin van een voorleesboek en ik schrijf er nu al drie jaar lang aan.

Omdat het belangrijk is dat het helemaal klopt.

Het is voor de kinderen die zich alleen voelen. En voor de kinderen die veel vrienden hebben maar zich vanbinnen toch heel rot voelen. Voor de kinderen die gepest worden. Voor de kinderen die zichzelf meer willen laten zien maar niet durven. Voor de kinderen die zo loyaal zijn aan hun ouders dat ze hun eigen behoeften verwaarlozen. Voor de kinderen waar het goed mee gaat. Voor de kinderen die heel bang zijn om fouten te maken. Voor boze kinderen, verdrietige kinderen en blije kinderen. En voor de voorlezende volwassene die er ondertussen stiekem ook wat van opsteekt.

Het boek gaat over alles. Over vriendschap, ruzie, varen, diepzeeduiken, vliegen, verdriet, scheiden, Helifietzeeërs, Flapvoetolifanten, steunzolen, de Ongeluktenopvang, introvert of extravert zijn, het Hoofdkwartier, ijsbergen, emoties en raadselzaadjes. Met sprookjesfiguren, pratende dieren en echte mensen. Het gaat over dat alles wat je aandacht geeft groeit en dat je donkere kant er ook mag zijn. Over het volgen van je hart, zonder je hoofd te verliezen.

Drie jaar al. En elke keer als ik een stuk verander of toevoeg gaat het meer kloppen. Gaat het meer leven. Ik lach gezellig om mijn eigen grapjes, huil mee met de hoofdpersonen en hou intens van het magische land waar het zich allemaal in afspeelt.

En daarbij vind ik het belangrijk dat het spannend is, en heerlijk om te lezen en voor te lezen. In de klas, of voor het slapen gaan, of met een zaklamp als je ouders denken dat je slaapt. En dat je dan overdag, in het echte leven, elke weer weer denkt: hé, dat hadden Tip en Helt ook! Dat er zomaar opeens een oplossing opborrelt als je je verlegen voelt, of bang, of als je voor een belangrijke keuze staat. Omdat je op magische wijze wijzer werd door de reis in Het Land van Al.

Dus, vergeef me als deze blog soms wat lang duurt. Er is een hoop werk in uitvoering achter de schermen, op mijn schrijfplekje in de zon.

NM2

Vond je dit leuk om te lezen? Deel gerust deze blog! Vind ik heel lief.

De Kluizenaar en de Keizer

Aan de kop van onze straat staat het huis van De Kluizenaar. Het is een vervallen, oranje villa met geheimzinnige torentjes en afgebladderde luiken. De tuin is overwoekerd, en het hek is hoog en verroest. Af en toe zien we hem achter het raam in zijn badkamer, de kluizenaar, in niets anders dan een hemd en met zijn haar op standje nacht.

Hij heeft drie witte berghonden. En die blaffen. De hele dag.

Op een dag verhuist hij, en de honden blijven achter om het huis te bewaken. Het blaffen verergert. ’s Nachts slapen we slecht, ze blaffen namelijk om alles: een duif die wegvliegt, de zon die opkomt, de buurvrouw die het vuilnis buitenzet. En rond een uur of drie, als de slaap het diepst is, huilen ze. Als wolven naar de maan. Het maakt me elke keer wakker, en na een paar weken huil ik mee. Hoe lang houden we dit vol? Scenario’s met vergiftigde biefstukken en jachtgeweren dringen mijn hoofd binnen. Het slaapgebrek knabbelt aan mijn dierenliefde.

Ik begin ze te observeren. De oudere hond staat altijd recht voor het hek en blaft het hardst, een kleine teef staat een stapje achter hem en doet mee. Boven op een soort afdakje, naast het hek, staat Hij. Een spierwitte, majestueuze reu. Hij staat er altijd, in de nacht, in de regen, in de snikhete middagzon. En hij staart. Stil en intelligent, een Romeinse keizer op zijn eigen forum.

Ze groeien aan me, ondanks mijn boosheid. Ze zijn zo alleen, niemand die om ze geeft. Ik koop kauwstaafjes bij de supermercato, en bij thuiskomst stap ik op ze af. De keizer ziet me komen, en wacht af, zijn indringende zwarte ogen laten me niet los. De oude hond is minder beheerst: hij ontploft en begint met ontblote tanden wild tegen het hek aan te springen.

Het eerste staafje gooi ik onhandig in zijn richting, maar hij blokt het met zijn grote lichaam. Ik deins terug, bang dat hij door het hek heen breekt. Het tweede staafje komt naast hem terecht, en pas als ik op veilige afstand ben eet hij het schrokkend en grommend op, als een haai die te lang moest wachten na het ruiken van bloed. De bovenhond vangt mijn lekkernij op, en als ik bij het hek nog even omkijk is zijn blik alweer op me. Alsof hij me kent, tot op het bot.

In de weken die volgen ga ik door. Steeds dichterbij mag ik komen, al blijft de oude hond voor de vorm protesteren. Als ze er niet staan fluit ik zacht, en binnen een paar seconden staat de keizer dan al daar. En zo komt de dag dat de grote oude beer stil blijft als hij me ziet. Als ik hem de lekkernij toegooi, peuzelt hij het rustig op. De keizer kijkt toe, en knikt bijna. Zo is het goed, ik mag er zijn.

De dagen erna begin ik tegen de oude hond te praten, en zijn staart zwaait zachtjes terug. Zo worden we, met hele kleine stapjes, vrienden. Zodra hij me ziet krabbelt hij nu moeizaam op, zwaait liefdevol met zijn staart en piept zachtjes. Ze blaffen nu minder, en ’s nachts word ik nauwelijks meer wakker.

Het is anders, het zijn mijn grote witte vrienden die de wacht houden.

Tot ik deze week de deur uit stap, en het afdakje leeg blijft. Ik fluit, maar er komt geen witte kop tevoorschijn. Er zit een nieuw slot op het hek, en er hangt roodwitte afzettape voor het huis. Het geheel geeft een indruk van een plaats delict.

Ze komen niet terug. Ik heb geen idee waar ze zijn, mijn hondjes. Ik mis het grote witte lijf tegen het hek, dat alleen in beweging kwam als hij mij zag. Zijn vriendelijke kop, hoe hij zijn oren naar achter deed en zijn staart verraadde hoe lief hij me vond, alleen mij. De snuit tegen het hek als ik lieve woordjes fluisterde. De manier waarop de keizer tevoorschijn sprong, zodra hij me hoorde. Hoe hij er gewoon stond als ik in het donker thuiskwam, kijkend of ik veilig het hek door kwam. We hadden een stilzwijgende band, hij en ik.

’s Nachts is het stil. Ik moet eraan wennen, en realiseer me dat ik voor het eerst sinds we hier wonen wakker wordt van fluitende vogels in plaats van hard geblaf. Pas nu het weg is, voel ik hoeveel lawaai er altijd was. Er is een intense rust neergedaald op onze dagen. En toch. Iedere keer als ik aan kom rijden hoop ik dat ze er zijn.

Mijn trouwe witte wakers.

IMG_2934