Waarom ik deze week een goede reden heb om geen blog te schrijven

‘Kom op mam, Max start over vijfenvijftig minuten!’ Ze schreeuwt het bijna.
De auto voor me rijdt honderd, terwijl je op dit stuk honderddertig mag. Ik kleef bumper en flits iedereen van de weg.  Mijn ruitenwissers vechten verbeten tegen het waas van water, terwijl ik voor de zoveelste keer onze aankomsttijd bereken. In milliseconden.

Met deze regels begin ik vandaag een nieuwe blog, terwijl de haast door mijn hoofd giert. Over een week heb ik een tentamen, het op een na laatste van mijn studie. En zoals altijd heb ik het meeste werk in deze laatste week gepropt.

En ga dan maar eens op je gemak een leuk stukje zitten schrijven.

Dus ben ik lief voor mezelf. De komende week is voor mijn studie. En voor de drie uurtjes per dag dat ik aan mijn boek werk. Verder niks. Geen sociale afspraken, geen blog.

Het is hopeloos. De navigatie blijft zeggen dat we elf minuten te laat aankomen. We gaan de start missen en ik heb 1600 kilometer geracet. De laatste tien kilometer slaat de berusting toe en haal ik mijn voet van het gas. Het is zoals het is.

Het huis gaat vervuilen, de hond zal het zonder lange wandelingen moeten doen, eten gaan we halen of warmen we op, de strijk blijft liggen, de administratie wacht maar even.

Als we bij de flat van mijn zoon aankomen staat hij al beneden bij de deur. De hond springt uit de achterbak en wurmt zich tussen zijn benen, om maar zo dicht mogelijk bij hem te zijn. Ik volg zijn brede glimlach naar boven en hoor de uitroep van zijn zus achter me. Ze heeft patat en frikadellen en een gelukkig hoofd. We overspoelen het studentenhuis en uit hoeken en kamers worden hoofden gestoken en gedag gezegd. De race staat aan.
‘Max ligt ver voorop, hij kan de race zonder haasten uitrijden!’ verslaat mijn dochter.
Ik kijk naar mijn drie kinderen in plaats van naar de televisie, en geniet van de friet met mayonaise.

Die blog komt volgende week wel weer.

 

IMG_0502

Waarom mijn plannetje om heel veel nieuwe vrienden te maken mislukte

De familie van mijn moeders kant was ongewoon muzikaal. Elke verjaardag, zon-  en feestdag werd er gitaar gespeeld en gezongen. Ik was een van de jongste kinderen en hoorde helaas niet bij de beste zangers.

Ze waren zo gezellig, die middagen, het was altijd een groot feest. We maakten muziek, we dansten, we lachten. En ik zong zachtjes mee, liefst tweede stem. Al was er niemand die me hoorde in al die reuring.

Als ik met tegenzin de heuvel oploop, naar de school van mijn dochter, vraag ik me af hoe ik me in hemelsnaam in deze situatie gemanoeuvreerd heb. Ik wil helemaal niet naar koorrepetitie. Ik heb niet geoefend, ik vind het moeilijk en ik kan niet zingen.

En ik had het nog wel zo slim bedacht.

Het lijkt me namelijk, en dan heb ik het over een paar weken geleden, de ideale oplossing voor mijn uitdunnende kennissenkring tijdens schoolbarbecues. Bij de wisseling van het schooljaar verhuizen altijd veel van de expats, waardoor ik deze keer op het feestje welgeteld drie mensen ken. Terwijl mijn dochter zich vermaakt met haar vriendinnen, hang ik een beetje rond bij de gefrituurde inktvisringen.

Jaloers kijk ik naar Rachel, een flamboyante Amerikaanse. Ze is het stralende middelpunt van een grote groep mensen en ik herinner me dat ze bij het schoolkoor zit.

Halleluja.

Ik hoor in mijn hoofd de kwartjes vallen, dat is natuurlijk de oplossing! Een grote zaal vol vrouwen, wachtend om mijn nieuwe beste vriendinnen te worden. En zo makkelijk! Ik voel me behoorlijk tevreden met mezelf. Dat ik niet goed kan zingen vind ik een onbelangrijke bijkomstigheid; gewoon een beetje meepiepen en meemurmelen, in zo’n groep valt mijn stem toch niet op.

De realiteit is nogal anders. De grote zaal vol vrouwen blijkt een piepklein muzieklokaaltje te zijn, en het koor bestaat uit vier leden. Er is geen verstoppen aan, mijn meepieptechniek gaat niet werken. Ik moet zingen, en serieus ook.

Are you alto or soprano?’ vraagt Darren de Zangleraar, die zo Brits is als witte bonen in tomatensaus.

‘Sopraan,’ antwoord ik zelfverzekerd. Ik heb werkelijk geen idee. Een alto klinkt me als een struise dame met een lage, mannelijke stem. En vanochtend in de badkamer was ik nog steeds slank en huppelig.

Darren slaat de eerste akkoorden aan en de paniek slaat toe. Zo hoog. Ik piep een beetje mee, murmelen is geen optie en ik heb geen idee wat ik moet doen. De noten op de bladzijde dansen voor mijn ogen en het is allemaal heel erg kerks. Hymnen en psalmen waarvan de melodieën als een soep zonder recept door mijn brein klotsen.

‘Wanneer ben je alto?’ vraag ik, bij de tweede bijeenkomst.
‘Als je de hoge noten niet haalt,’ zegt Darren.
‘Ik ben alto,’ murmel ik, en zet mijn stoel aan de altokant van de kamer.

Maar dat blijkt nog moeilijker. Nu zing ik niet de hoofdmelodie, ik doe de riedel die de melodie begeleidt. Piepen hoef ik nu niet meer, dit lage gedeelte redt mijn stem wel. Het is nu voornamelijk mijn hoofd dat in de weg zit. Onzeker over de juiste noten, onzeker of ik niet vals zing. Had ik eerst mijn voet boven de rem, zet ik nu volledig de handrem erop.

Ik vind het echt niet leuk meer. Met lood in mijn schoenen loop ik deze vrijdag de heuvel dus op, vastbesloten dat het mijn laatste repetitie is.

Ik ga zitten op de houten stoel en Darren slaat de eerste noten aan. De sopranen zetten hoog in en wij alto’s doen de laag. We zingen dezelfde liedjes als altijd en ik begin warempel de melodie te kennen. En dan gebeurt er iets.

De pianolessen van vroeger komen terug, en de notensoep op papier wordt een heldere bouillon. Ook besef ik ineens dat ik gewoon tweede stem moet zingen, en dat ik dat al mijn hele leven doe. Ik voel waar ik laag of hoog moet, hoor hoe de andere alto me volgt en ga harder zingen. Als ik hoor hoe mijn stem een deel is van de perfecte harmonie van het koor van vijf, krijg ik duimendik kippenvel.

Als de laatste noot klinkt, kijkt Darren verbijsterd naar ons op.
That was good! That was really amazing!’

Ik glim. Halleluja, het is gelukt, ik zing in een koor. Met als bonus vier nieuwe vriendinnen, die nog gezellig zijn ook.

Als ik in deze roes de schoolpoort weer uitstap en de heuvel af loop, is er halverwege naar beneden een grote oproer. Iemand heeft de handrem van zijn witte Fiat Panda er niet opgezet, en deze heeft zichzelf nu achteruit tegen de zijkant van een witte BMW geparkeerd. Ik gniffel. Toeval bestaat niet, dat psalmen zingen werpt nu al zijn vruchten af. Dit is gewoon een boodschap van boven.

Mik op het hoogste en remmen is voor sukkels.

FullSizeRender

Hoe je het beste in een post-zorgdepressie belandt

Als onze zoon op zijn achttiende in Amerika gaat studeren, valt een droom voor mij aan diggelen. Een klein droompje hoor, niks dramatisch. Maar ik heb me er zo op verheugd, op het studentenmoeder spelen.

Dat ze doordeweeks lekker hun eigen ding doen, op zo’n stinkende studentenkamer met veel bier en patat als ontbijt. En dat ze dan op vrijdag vol verhalen en doodmoe bij je binnenvallen, een tas vol was in de hoek smijtend, terwijl ze ‘IK HEB HONGER’ roepen. En dat je dan een warme appeltaart in de oven hebt, en ze voedt met gezonde maaltijden en ontbijt op bed.

Maar hij vliegt dus niet zomaar uit, hij vliegt achtentachtig miljoen duizend kilometer ver uit.

Verdomme.

Na een jaar komt hij weer in Nederland studeren, en krijg ik een tweede kans. Delft is maar 88 kilometer ver weg, dus ik begin alvast met goudreinetten schillen.

Helaas krijg ik ook deze keer niet wat ik besteld heb. Hij heeft het enorm naar zijn zin op zijn naar waspoeder geurende, comfortabele studentenkamer, en ik ben geen concurrentie voor zijn belachelijk inspirerende en levenslustige kamergenoten. De weekendbezoeken worden bekort tot bezoekjes van een uur of twee, waarna weer ergens een barbecue, bierpongborrel of miniconcert wacht. Kleren wassen kan hij prima zelf, en met die bierinname valt het ook reuze mee. Ze eten zelfs broccoli bij het avondeten. Uitslovers.

Van een belangrijk levensdoel beroofd, op de rand van een post-zorgdepressie, emigreer ik. En mijn man en jongste dochter gaan ook mee. Ons middelste schatje is intussen ook rijp voor het studentenleven en ik vind het zelf een goed idee om haar in Rome te laten studeren. Op kamers bij het Colosseum, en dan in het weekend bij ons aan het zwembad bijkomen. Kapotmoe en hongerig natuurlijk en dat ik haar dan voer met pizza di Mama.

En ook dit kind weigert mijn dromen te verwezenlijken. Ze blijft in Nederland, en ik beland in een ware zorgcrisis.

Maar. Zoals altijd loopt het natuurlijk weer helemaal anders. Die pakken Koopmans Appeltaartmix gaan gewoon mee in de handbagage van de vader van het stel. En, niet geheel onlogisch, hebben het zwembad, de zon en ons heerlijke huis een onweerstaanbare aantrekkingskracht op de arme studenten. Uiteindelijk komen ze nu veel vaker dan ik ooit had durven hopen.

Deze vrijdag bak ik dus weer fluitend Amerikaanse pancakes voor mijn twee oudsten, die lekker uit liggen te slapen van een drukke week in hun studentenstad. Buiten hangt de was van mijn dochter, die gewoon haar hele wasmand in haar koffer heeft gekieperd en mee naar Rome heeft genomen. Want helaas geen waspoeder en geen schone kleren meer, en daarbij is ze uitgehongerd en brak. Ik kan haar wel zoenen.

Ik kook pannen vol pasta met verse groenten, we kijken samen onder een dekentje naar Netflix, dineren in Rome, houden onze traditionele zaterdagavond filmborrelavond en rijden elkaar schreeuwend overhoop op de kartbaan. Het is supergezellig, ze blijven het hele lange weekend en de appeltaart gaat schoon op.

Het enige minpuntje is het afscheid.

Ik weet dat ze het redden, ik weet dat het goed is zo. Maar toch heb ik het elke keer als ze door die schuifdeuren van de vertrekhal lopen, als ik hun achterkant met rugzak zie verdwijnen. Het gevoel dat mijn hart uit mijn lijf gescheurd wordt.

Niks dramatisch hoor, het is mijn hart maar. En gelukkig heb ik nog een kind thuis, dat ook vaak brak is, heel erg van appeltaart houdt en maar 8 kilometer verderop op school zit.

Die knuffel ik daarom maar driedubbel hard, en geniet extra van de bergen was die ze produceert. Want voor je het weet is zij ook 88 miljoen duizend kilometer ver weg.

Verdomme.

FullSizeRender

 

‘Dat je dan ineens zit te liegen..’

‘Het universum bestaat niet uit atomen, maar uit kleine verhalen’ – Muriel Rukeyser

Het is woensdagochtend als ik op weg ben naar de verjaardagslunch van een vrouw die ik nog nooit heb ontmoet. Op de stoel naast me staat een tas met cadeautjes, spullen voor haar huis dat ik nog nooit heb gezien. Ik weet niet hoe ze eruitziet, en of ze wel van geurkaarsen houdt.

Ze is de nieuwste aanwinst in ons clubje Nederlanders, hier in Rome. En vandaag is ze jarig en haar man is er niet. Of ik gezellig kom lunchen, er komen nog drie andere vrouwen uit haar wijk, die ik niet ken. En A., die ik dan weer wel goed ken.

En zo zitten A. en ik dan zomaar op een woensdag in een Ierse pub, te kletsen met een blonde Zweedse vamp die echt alles weet van iedereen. Met een prachtige wilde Nederlandse, die op haar achttiende als au pair kwam en nooit meer wegging. En met een heel charmante Italiaanse stewardess. De jarige lacht veel en hard en strooit rijkelijk met knuffels. Ik vind haar nu al leuk.

Als ik daar zo zit, midden op de dag met een glas witte wijn in mijn hand, luisterend naar de drama’s en victories in het leven van deze mooie vrouwen, waan ik me in een aflevering van ‘Sex in the City’. Maar dan de Italiaanse versie.

Want ondertussen worden er in rap Italiaans nieuwtjes uitgewisseld met de restauranteigenaren, wordt er per mobiel olijfolie besteld bij vrienden die net hebben laten persen en echt ‘de beste’ in de omgeving hebben, terwijl een ander per telefoon informeert over een huis dat te huur staat. Iemand heeft het over een feestje organiseren, verhalen van scheidingen en liefdes worden verteld, en het gesprek dwaalt af naar het onderwerp vertrouwen.

‘Ik ben gewoon heel naïef,’ zegt A. ‘Ik neem altijd aan dat anderen eerlijk zijn, omdat ik zelf ook nooit lieg.’

Daar twijfel ik geen moment aan bij haar. Wel denk ik meteen aan die ochtend, ik op mijn laptop, de hulp stofzuigend om me heen.

Ah, patattina!’ hoor ik haar naast me roepen. Ze aait voor de zoveelste keer mijn hond en vraagt alweer iets aan me. Ik zit nog met mijn hoofd in de laatste zin die ik aan het schrijven was.
Si,’ antwoord ik, naar haar opkijkend terwijl haar vraag in mijn hoofd nagonst. Als ik hem terugspeel realiseer ik me dat ze vroeg of Mikki weleens zwanger is geweest, wat dus echt niet zo is.
Maar ik heb al ‘ja’ gezegd. Ik voel me stom en dat is waarschijnlijk waarom ik doorjok.
Tre bambini, drie kindjes, due femmine e un maschio.’ Ik zeg het zonder blikken of blozen. ‘Twee vrouwtjes en een mannetje. Maar nu niet meer.’ En ik maak een schaarknipbeweging met mijn vingers.

Eerlijk, ik heb weleens een hond gehad die baarde. Een flinke Herdershond die bezwangerd was door de plaatselijke hanglabrador. Een zwarte.

Ik weet nog goed hoe ze geboren werden, de kleine neusjes die tegen de binnenkant van het vruchtvlies gedrukt zaten. Mijn hond en ik, in de donkere schuur, pup na pup op de wereld zettend, droogwrijven, warmhouden. Ze was een geval apart, mijn hond. Mishandeld bij haar eerste baasje, agressief tegen vreemden, wij samen twee handen op één buik. Kwam je aan mij, dan kwam je aan haar.

Er werden die nacht zes hondjes geboren. Hulpeloze, perfecte, snoezige bolletjes met zachte buikjes en puppygeur.

Anyway.

De hele weg terug zing ik hard mee met de radio. Want ook ik kreeg bij de verjaardagslunch dus gewoon een hoop cadeautjes. Zoals de geur van geroosterde tomaten met een vleugje tijm en basilicum. De schaterlach van de jarige toen ze haar deken voor de barre Romeinse winter uitpakte. Het warme licht van de najaarszon op het tentdoek boven ons.

Als je er echt op let, is de waarheid vaak veel mooier dan je kunt verzinnen.

IMG_0077 (2)

De Blog over het Liefdesvogeltje dat bij ons wilde blijven

 

Als je graag wilt dat iemand blijft, laat haar dan los. Blijft ze, dan houdt ze van je. Gaat ze, dan waren jullie niet voor elkaar bestemd.

Als Kiwi ons leven binnen vliegt, besef ik weer dat dit een belangrijk principe in mijn leven is: loslaten met het vertrouwen dat de liefde echt wel groot genoeg is. En laat Kiwi nou een lovebird zijn. Een groene dwergpapegaai met een rode blos die als een liefdesmasker rond haar hart, snavel en ogen ligt.

Ze kiest ons uit. Vliegt de olijfboom in en neemt ons vorsend op, kopje scheef en voor de duvel niet bang.
‘Tjilp tjilp!
Twee lettergrepen, vol overtuiging uitgesproken, een uitnodiging tot gesprek.
We tjilpen terug, ze blijft gezellig op onze veranda eten, neemt plaats op de rugleuning van de stoel en soms op een van de gillende dochtershoofden.

‘Zullen we haar houden?’

Maar ik ben niet zo van de vogels. Ik ben bang voor de pikkende bekkies, van de fladderende vleugels. Ook vind ik een vogel in een kooi een beetje zielig.

‘We laten haar gewoon los, als ze bij ons wil blijven mag dat, maar ik ga geen kooitje kopen.’

Ze vliegt weg en laat zich de rest van de dag niet meer zien. Sophie dwaalt een beetje verloren door de tuin.
‘Kiwi! Kiwi!’
Ze had een vogel en nu niet meer.

Als ik de volgende ochtend de vuilnis buiten zet, landt er in een storm van gefladder een groen vogeltje op mijn hoofd. Ik heb de gelukkigste dochter van de wereld. Kiwi laat zich voederen, speelt verstoppertje achter de kussens en neemt bezit van onze hoofden en harten. Eigenlijk neemt ze bezit van onze hele tuin. Ze claimt de bank, het voerbakje, de ligbedden en de koffietafel. Ze bijt in je nek, schreeuwt in je oor en vindt het belachelijk dat ze niet naar binnen mag.

Terrorkiwi, noemen we haar. Van mij mag ze gaan, maar ze wil duidelijk blijven.

De oplossing die rest is opvoeden. En daar zit een probleem. Geef mij je hond, en je krijgt ‘m keurig getraind terug. Maar een vogel, dat is onbekend terrein voor mij. Ze voelt m’n angst, ze voelt m’n weerstand, en onze verstandhouding wordt er niet beter op.

En dan komt de Man thuis.

Het moment dat hij naar buiten stapt, is ze verliefd. Ze nestelt op zijn hoofd, brabbelt in zijn oor en geeft hem liefdesknabbeltjes in zijn nek. Hij krijgt kopjes, hij mag haar aaien, en samen dobberen ze in het zwembad, hij in de ligstoel, zij op zijn hoofd. Ze maken samen het zwembad schoon en drinken samen koffie. Zo brengen ze dagen door, a match made in heaven.

Maar Birdman moet weer werken. Hij gaat vliegen, ironisch genoeg.

Als hij weg is doet Kiwi wanhopige pogingen het huis binnen te komen. Ze loopt panisch heen en weer op het raamkozijn achter zijn bureau. Ze doet aanvallen op openende deuren.
‘Waar is mijn man!’ lijkt ze te roepen.
Het is aandoenlijk, en ik weet niet zo goed wat te doen.

En dan komt er ook nog een groep vrouwen op bezoek dat weekend.
‘Hond moet binnen blijven, vogel buiten!’ roep ik in de chaos.
Kiwi is niet meer te houden. Ze betovert met haar geklets, met haar eigenwijze speelsheid, vliegt van gillend hoofd naar gillend hoofd, bijt hard in oren, poept op feestkleding. Als ze mij als klap op de vuurpijl tot bloedens toe in mijn vinger bijt omdat ik haar voer wil verschonen, schreeuw ik het uit in frustratie.

Dan is ze weg.

Ik heb nu al spijt van mijn uitbarsting. Ze is waarschijnlijk nog maar klein, en weet nog niet zo goed hoe je dat doet, lief zijn. Als ik uren later om het huis heen loop, zit ze daar. Op de tennistas.
‘Tjilp tjilp!’
Ze houdt haar rode kopje scheef, alsof ze wil vragen of ik nog boos ben. Ik aai haar zachtjes en ze blijft rustig zitten. Zo loop ik die dag vaker langs, en soms zit ze in de tas. Als ik dan vraag ‘Kiwi, ben je thuis?’ tjilpt ze haar twee onmiskenbare piepjes vanuit het donker en kruipt omhoog om me te begroeten.
Die dag weet ik dat ik van het groene monstertje hou.

Na het weekend zal ik een mooie grote kooi kopen, dan zien we daarna wel weer verder. Maar dat ze bij ons hoort is duidelijk.

Het is de laatste dag van het bezoek, we ontbijten laat en Kiwi heeft zich nog niet laten zien. Ze is ook niet thuis op haar tas, en ik neem aan dat ze op een van haar ontdekkingstochten in de buurt is. Mijn zus ruikt echter onraad.
‘Ik vind het maar gek, ik kijk nog even.’
Ze ritst de tas verder open en vindt onderin een heel stil groen vogeltje, waarschijnlijk de hele nacht al opgesloten.

Ik schrik me kapot. Ik neem haar op mijn schoot en ze blijft heel stil zitten, terwijl ik haar zachtjes mag aaien. De hele verdere dag slaapt ze, op mijn schoot en onder de haren van Sophie, haar kopje tegen diens nek gedrukt. Ik geef haar hapjes voer, laat haar druppels water drinken, maar ze knapt niet op.

Op maandagochtend om kwart voor acht, een kwartier voordat Sophie voor de eerste keer weer naar school moet, sterft ze in mijn armen.

Liefde is ook vasthouden, laten we dat nooit vergeten. Heel stevig, zonder schaamte, en met alle gevoel die we in ons hebben. Dag lief gek, aanbiddend, stronteigenwijs, bijzonder, veeleisend liefdesverklaringen gevend groen papegaaitje. Je zit nu in ons hart, maar we hadden je zoveel liever schreeuwend op ons hoofd gehad.

IMG_8705

Wat er gebeurt als je een Waarschuwingsteken negeert

Die zwarte kat op de parkeerplaats. Dat was een teken natuurlijk.

 ‘Krijg je acht man te logeren? Ik rij wel even met je mee naar mijn wijnboertje, kun je groot inslaan.’

Ik heb een Nederlandse vriendin die hier al heel lang woont. Ze spreekt vloeiend Italiaans en weet overal antwoord op. Wie de beste aannemer is, waar je de beste koffie drinkt, wanneer je pruimen oogst, je kunt het zo gek niet bedenken of ze weet het. Zo ook dus van die wijnboer. En waar hij woont.

We spreken af bij het restaurant op de hoek. Ze stapt bij me in de auto, we rijden de berg op en na twee minuten slaan we rechtsaf bij een stoffige oprit. Dat is dus gewoon bijna in mijn achtertuin! Een oude waakhond sloft in onze richting, maar draait na drie meter futloos weer om. Her en der liggen afgedankte autobanden en ijzeren gieters en de wijnranken reiken tot in het dal. Ik besef dat dit de real deal is.

Vriendin J. loopt kordaat de schuur in. Daar staan vier zilverkleurige vaten te wachten tot ze gemolken worden, ernaast een pallet met plastic containers. Of we zoet of droog willen. Rood of wit, drie liter of vijf. Ik spin van plezier, dit is zo echt Italiaans. We overleggen wat, tanken gul en dan komt de held van het huis, la mama, op sloffen aanschuifelen. Ze is minstens honderd en gaat blijkbaar over het geld, want zij is degene die me het wisselgeld in de hand drukt.

Ik besluit dat ik nu officieel kaaskop af ben, want ik kan voortaan zeggen dat ik bij ‘mijn eigen wijnboertje’ koop.

Op de terugweg rijden we langs een ander stoffig weggetje, en volgens ons mirakel ligt daar een mooi wandelgebied. Precies waar we al een jaar naar zoeken: een ruime uitlaatgelegenheid voor onze viervoeter. Had ik het maar eerder gevraagd.

En vandaag gaan we dan op die wandeling. Hond M. slaapt al dagen niet, legt constant haar speeltjes op mijn voeten, kortom, is duidelijk toe aan kilometerslange trektochten. En dochter S. beweegt al maanden niet, omdat hockey nog niet is begonnen. Twee vliegen in één klap.

Ik haal S. uit school, op de achterbank de hond, en we rijden zingend de berg op, zover het achterland in dat mijn telefoon geen bereik meer heeft. De wegen worden smaller, het wegdek steeds slechter. Als mijn auto de kuilen niet meer trekt, zetten we haar neer op een parkeerplaats, naast het kerkhof. Een zwarte kat komt naar ons toe lopen, terwijl labrador M. uitstapt. Als we M. weer uit de bosjes getrokken hebben, dalen we af naar het geluid van vallend water.

Het is een wonder. Niet ver van ons dorp vandaan staan we oog in oog met een oude molen, de molenstenen nog bij de voordeur. Een waterval klatert naast de roodbruine muren, en een klein stroompje loopt over de stenen onder de brug. Bij de waterval staat een groep wandelaars in stilte foto’s te maken, en ik wacht even tot ze weg zijn, zodat mijn hond hun plaatjes niet verpest. Ze blijven erg lang staan, terwijl het stroompje niet heel bijzonder is, behalve voor labradors met dorst.

Ik sta vlakbij ze, en uit mijn grieven zeer hardop.
‘Mijn God, wat duurt dat lang. Zo leuk is het hier ook weer niet.’
Een paar mensen splitsen zich af, maar de meesten blijven staan.
‘Ja, blijf nog even staan joh, schlomo’s. Neem nog een foto.’
Ik sta langs het stroompje, met mijn handen in mijn zij op mijn beurt te wachten.
‘Pfff, schiet eens op.’ Ik draai me om naar Sophie. ‘Hier heb ik zo’n hekel aan.’
Een blonde vrouw kijkt op en ik glimlach vriendelijk naar haar.
‘Hup hup, wegwezen met die hap,’ zeg ik heel flink in het Nederlands.

Als de vrouw en haar vriend nog steeds niet weggaan, trek ik geïrriteerd mijn hond mee en loop over de brug.
‘Kom Sophie,’ roep ik, ‘dan halen we ze wel even in, anders lopen we de hele tijd achter die slakken.’

Het is een hele klim, en we lopen arm in arm. We kletsen over school en puppies en dat ze zo graag een klein poesje wil. Na een half uur lopen over groene velden met indrukwekkende pijnbomen, keren we om.
‘Oh kijk, daar heb je dat langzame groepje weer,’ zeg ik, als we de watervalfotografen tegenkomen.
‘Hallo,’ zegt de vader van het gezelschap, terwijl hij me recht aankijkt.

Sophie ziet langzaam het besef bij me komen.
‘Je zei het allemaal heel hard!’
Ze kan de hele weg terug niet meer rechtop lopen van het lachen.

En ik had hem gezien, daar op de parkeerplaats bij de zwarte kat, die auto met de Nederlandse kentekenplaat. Kaaskop dat ik er ben.

IMG_9489

Over mijn romance met de Zwembadfluisteraar

‘Ik rij nú met een plasje naar de zwembaddokter,’ app ik een vriendin.

Als echte Romeinen ontvluchten we in juli de hitte van Rome. We gooien een emmer chloor in het zwembad en hopen er het beste van. Als we na een maand terugkomen, is het 42,5 graad en het water dat ons moet afkoelen groen.

Bedachtzaam loopt mijn man, gewapend met een teststrip, naar de met Italiaans marmer versierde badrand. Hij wrijft over zijn stoppelbaard en stroopt dan zijn mouw op tot boven zijn elleboog, om vervolgens de teststrip in het moeras te dippen. Als hij hem er weer uithaalt, kreunt hij. Het is niet goed. De chloor- en zuurwaarden zijn totaal uit balans, wat betekent dat bacteriën en andere nare organismen vrij spel hebben. Ons bad is ziek.

Gelukkig is thuisdokter Arno voorbereid. Hij bracht een paardenmiddel mee uit Amerika: drie flessen shocktherapie voor zwembaden.
‘Over een paar uur, hooguit een dag, zal het water weer blauw zijn. Alles wat het water ziek maakt zal in een keer sterven,’ bezweert hij mij. ‘Morgen zwemmen we weer.’

Maar de ziekmakers sterven niet. Het water is geen water meer, het is een gemuteerd groen monster geworden. Een monster dat immuun is voor chloor. Ons zwembad is de waterige versie van de Hulk, gevaarlijk en nou ja, groen dus.

‘Het komt wel goed,’ zegt mijn man. ‘We moeten geduld hebben.’

Maar de volgende dag gaat hij op reis, en laat mij achter met een hittegolf en een ziek zwembad. Ik heb niet zoveel geduld en doe wat ik als moeder al talloze malen gedaan heb: ik rij met een plasje in een potje naar de zwembaddokter, oftewel het plaatselijke tuincentrum. Zij weten vast wel wat er mis is.

‘En?’ vraagt de vriendin. ‘Wat zeiden ze?’
‘Het is erger dan we dachten,’ app ik terug. ‘De enige oplossing is een transfusie. De helft van het water moet eruit.’

En zo klim ik, thuisgekomen, in de bak van de installatie die het water rondpompt. Terwijl ik de zweetdruppels van mijn voorhoofd veeg en de muggen van me afsla, zet ik kleppen dicht en open, druk op hendels en draai aan schakelaars.

En zo stroomt het zwembad langzaam leeg.

Als de bak halfleeg is, zet ik het infuus aan. Uit drie slangen stroomt nieuw water de groene smurrie in. Het duurt een dag, en als mijn man weer thuis is, is het bad weer bijna vol, en iets lichter groen.

De mouw wordt weer opgerold en de met lichtgouden krulletjes behaarde arm gaat het groene water weer in. Het is nog steeds niet best en mijn thuisdokter dient meer medicijnen toe: liters vloeibare chloor en ph-verhoger. Daarna loopt hij dagenlang met een bruin ontbloot bovenlijf van pomp naar bad, van filter naar tuinslang en borstelt met lange halen urenlang de bodem. Ik kijk vanaf het ligbed intens toe.

Het groen verdwijnt, maar het blijft een troebele zooi. Talloze testjes wijzen uit dat het chloor het niet houdt. De algen blijven winnen. We testen, balanceren, vullen water bij, legen weer en blijven verliezen.

Twaalf dagen verstrijken, tot ik het niet meer kan aanzien.

‘We gaan het niet redden!’ roep ik op een ochtend. ’We moeten specialistische hulp inschakelen!’ Wanhopig trek ik aan zijn sterke arm, in een poging een eind te maken aan deze waanzin.
‘NOOIT!’, roept hij terug. ‘We moeten volhouden!’
Mijn hart breekt als hij mij voor het eerst van zijn leven van zich afschudt. Dan kijkt hij me diep in de ogen, en het is alsof ik recht in zijn ziel kijk.
‘Heb vertrouwen.’ Zijn stem klinkt hees. ‘Het komt echt wel goed.’

En inderdaad, op een mooie ochtend zien we de tegels op de bodem weer.

We winnen. Het water wordt helder en het chloorpeil stijgt. We kunnen het bijna niet geloven, maar na twee weken is het eindelijk zover. We kunnen weer zwemmen. Van blijdschap trekt Arno me in zijn armen en ik snuif zijn mannelijke after shave op. Als de dag zijn einde nadert, dobberen we eindelijk weer naast elkaar in het koele water.

‘Shocktherapie is geen product, het is een proces,’ zegt mijn zwembadfluisteraar, sippend aan een koud biertje terwijl hij bedachtzaam voor zich uitstaart. ‘Je denkt dat er shit in het water zit, maar het is het water zelf dat moet veranderen.’
Ik heb geen idee waar hij het over heeft, maar hij zegt het zo mooi.
‘Zoiets als de transformatie van de Hulk?’
Hij kijkt me aan, met een broeierige blik, en fluistert: ‘Ja, baby. Zoiets als de Hulk.’

Ik duik het blauwe water in om af te koelen.

(Vond je deze blog leuk? Vul dan in de kolom rechts je e-mailadres in, dan krijg je hem voortaan automatisch thuisgestuurd!)

zwembad